Pantserwagens of tanks

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Ook al heeft de Eerste Wereldoorlog sterk bijgedragen tot de ontwikkeling en veralgemenisering van het gebruik van de pantserwagen, toch mag deze oorlog niet als zijn bakermat geschouwd worden. Tijdens de Krimoorlog in 1854 ziet met voor het eerst een met rupsbanden uitgeruste tractor op het slagveld verschijnen die zich vrij moeiteloos op een natte of modderige bodem verplaatst. Later onderzoek, met name op het gebied van de verbrandingsmotor, stelt de firma Daimler in de gelegenheid om vanaf 1899 een ‘gemotoriseerd oorlogsvoertuig’ te ontwikkelen dat aan het Britse leger wordt geschonken. Dit voertuig is uitgerust met een bepantsering tegen kogels en twee mitrailleurs. In de eerste instantie wordt dit nieuwe wapen met een schuin oog ontvangen. Maarschalk Horatio Kitchener – in 1914 staatssecretaris van Oorlog – beschouwt de tank als een ‘pretty mechanical toy’ (een fraai mechanisch speeltje).

Toch beginnen de officieren van het Britse leger meer te letten op de voordelen van de pantserwagen nu de oorlog omgeslagen is in zijn nieuwe vorm: de loopgravenoorlog. De eerste proefritten tonen dat de pantserwagen zich moeiteloos een weg baant door de dichte prikkeldraadbarrières. Deze resultaten overtuigen uiteindelijk de politici en militairen. Zomer 1915 wordt in alle stilte begonnen aan de productie van deze oorlogsvoertuigen. De tank dankt zijn naam overigens aan zijn vorm: en rechthoekig reservoir. De eerste tank, die de naam Little Willie draagt, weegt bijna veertien ton en beweegt zich voort met een snelheid van 3 kilometer per uur. Door zijn bouw lijkt hij meer op een bewapend voertuig dan op een aanvalsmachine. Al gauw blijkt dat de tanks de loopgraven niet kunnen overbruggen. In juni 1916 begint start de productie van het model ‘Mark I’: langer, zwaarder, maar sneller. De trapezevorm waarop de rupsbanden zich aansluiten, maken het mogelijk om loopgraven te overbruggen.

De vuurdoop van dit nieuwe wapen vindt plaats op 15 september 1916 in de loop van de Slag bij de Somme, tijdens het Britse offensief op Flers-Courcelette. Door tanks in verschillende offensieven te gebruiken, is het Britse opperbevel in staat hen geleidelijk aan een duidelijke functie toe te schrijven: de tanks worden vóór de troepen uitgestuurd om prikkeldraadbarrières te doorbreken en de soldaten te beschermen tegen de kogels van de tegenpartij. Het gebruik blijft echter een gevoelige kwestie, zoals blijkt tijdens de eerste Slag bij Bullecourt in april 1917: de langzame voortgang van de tanks in het niemandsland dwingt de soldaten regelmatig de tanks te passeren waardoor ze zich blootstellen aan vijandelijk vuur. Bovendien hebben de tanks vaak motorpech.

Het Franse leger bestelt in januari 1916 op zijn beurt 800 tanks bij de firma’s Schneider en Saint Chamond. Deze eerste Franse tanks hebben in het veld dezelfde problemen als die van de Britten. De Fransen gebruiken hun tanks voor het eerst tijdens het offensief van Nivelle op de Chemin des Dames in april 1917. De Duitse artillerie zet ze vrij snel buiten spel omdat ook deze tanks de loopgraven niet kunnen overbruggen.

Tijdens de Slag bij Cambrai in november 1917 staat het massale gebruik van de nieuwe generatie ‘Mark IV’-tanks voor een belangrijke doorbraak in de Duitse linies. Dit is een waar keerpunt: de geallieerde legers begrijpen de belangrijke rol die pantserwagens kunnen spelen nu de bewegingsoorlog weer op gang is gekomen. Onderzoeken worden gestaag doorgezet en de productie neemt toe in Frankrijk en Groot-Brittannië. Het Franse leger gaat de nieuwe Renault FT-17 gebruiken, kleiner en beter te hanteren. In 1917 en 1918 rollen 3.500 tanks van dit model uit de fabrieken. De Amerikaanse en Italiaanse legers gaan ook over op het gebruik van de Renault FT-17 tijdens de tweede Slag bij de Marne in 1918.

De Duitsers hebben gek genoeg geen zin in tanks. Ze produceren tijdens de hele oorlog maar een stuk of twintig tanks. Ook al maken ze zich tijdens de Slag bij Cambrai talloze Mark IV-tanks meester, ze houden zich bij hun A7V, een tank die door zijn ontwerp en logheid volledig inefficiënt blijkt op het slagveld. De eerste tank-tegen-tank gevechten uit de geschiedenis vinden plaats op 24 april 1918 in Villers-Bretonneux in de Somme.

In de loop van 1918 wordt de strategische rol die tanks kunnen spelen steeds duidelijker. Generaal-majoor John Fuller stelt als officier in het hoofdkwartier van het Tank Corps – een in juli 1917 door het Britse leger opgerichte eenheid – een nieuwe strategie in met tanks als hoofdrolspelers. Hij gelooft in de komst van een nieuwe ‘mechanische oorlog’. Hij voorziet in dat kader een massaal tankoffensief in het jaar 1919, op de voet gevolgd door de infanterie, dat echter niet als doel heeft de vijandelijke stellingen in te nemen, maar juist zo snel mogelijk vooruit te komen om de artillerieposten en de communicatie- en commandoposten van de tegenpartij uit te schakelen. Na de oorlog werkt Fuller deze strategie verder uit om er ook de luchtmacht die zich tijdens de Eerste Wereldoorlog sterk ontwikkeld heeft bij te betrekken. Er wordt vaak gesteld dat de nazi’s zich op deze strategie baseerden bij de uitvoering van hun beruchte ‘Blitzkrieg’.

Edouard Roose