Overzicht van de oorlog op het westfront

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

De Eerste Wereldoorlog heeft 51 maanden geduurd, van 1 augustus 1914 tot 11 november 1918. Deze oorlog speelde zich af op vier fronten op Europese bodem, in wisselende periodes:
-    Het westfront - vanaf het begin beschouwd als de zone waar de oorlog zich feitelijk afspeelde,
-    Het oostfront - met Rusland,
-    Het Italiaanse front - in de Alpen
-    Het Balkanfront - tegenover het Ottomaanse Rijk.

Het westfront was gedurende de hele oorlog de meest actieve oorlogszone. Hier werd uiteindelijk ook de overwinning behaald. Met uitzondering van een korte inval van de Fransen in de Elzas - toen nog Duits grondgebied - in augustus 1914, speelden de meeste oorlogshandelingen zich op Frans en Belgisch grondgebied af (België was vrijwel geheel bezet gebied, op een klein gebied tussen Ieper en de Franse grens na). Geen enkele geallieerde soldaat, met uitzondering van enkele krijgsgevangenen, betrad de Duitse bodem.

De geallieerden mobiliseerden strijdkrachten uit een coalitie van meer dan twintig naties om het Duitse leger uit de bezette gebieden te verdrijven. De Franse en Britse legers droegen echter de zwaarste lasten. De Amerikanen - die vanaf het voorjaar van 1917 aan de oorlog deelnamen - speelden evenwel een aanzienlijke rol in de uiteindelijke kentering van de oorlog in de zomer van 1918. Deze kentering liep uit op de overwinning van de geallieerden.

Tegenover het ‘bezette gebied’ - in handen van de Duitsers - en de ‘legerzone’ van meer dan 700 kilometer lang - die zich uitstrekte van de Noordzeekust tot de Zwitserse grens - lag een tot verdedigingszone omgezette strook land waarvan de breedte varieerde van enkele honderden meters tot tientallen kilometers. Een gebied van loopgraven, prikkeldraad, bunkers en ondergrondse schuilkelders. Miljoenen soldaten brachten hun diensttijd door in dit ‘maan’landschap onder het onophoudelijke gebulder van de artillerie. Miljoenen soldaten zijn er omgekomen, na een passage in de meest erbarmelijke leefomstandigheden in de loopgraven: ongedierte, extreme weersomstandigheden, gebrek aan hygiëne. Gedurende de hele oorlog wisselden de zware bombardementen en bloedige offensieven zich af met periodes van schijnbare rust.

De Eerste Wereldoorlog kende aan het westfront drie opeenvolgende fases:
-    een bewegingsoorlog - van augustus tot oktober 1914
-    een positieoorlog - van november 1914 tot maart 1918
-    opnieuw een bewegingsoorlog voor de allerlaatste confrontatie - van maart tot november 1918


1.    De invasie en de bewegingsoorlog (augustus-oktober 1914)

De legers van de grootste oorlogsvoerende naties worden in sneltempo gemobiliseerd in de laatste dagen van juli 1914 dankzij de buitengewone dichtheid van het Europese spoorwegennet aan het begin van de twintigste eeuw.

In de zomer van 1914 opereert het Duitse leger volgens het Schlieffenplan. Dit strategische plan heeft als hoofddoel korte metten te maken met het westfront en snel op te trekken naar Parijs via een verrassingsaanval met een groot aantal eenheden (cavalerie, infanterie en artillerie) door het neutrale België en de vlaktes in Noord-Frankrijk. Tegelijkertijd worden eventuele Franse initiatieven aan de Frans-Duitse grens de kop ingedrukt.

Op 4 augustus 1914 trekken 44 Duitse divisies België in om het Franse leger te omcirkelen, waarvan de grootste concentratie zich in het noordoosten van het land bevindt, voornamelijk in Lorraine. Ondanks het verrassingseffect en zware verliezen biedt het Franse leger het hoofd, met de toen nog bescheiden hulp van het Britse Expeditieleger (British Expeditionary Force, de eerste troepen arriveerden op 14 augustus 1914 in Frankrijk). De Fransen trekken zich terug op de vlaktes ten noorden van Parijs. Begin september 1914 stoppen de Fransen in een allerlaatste krachtsinspanning de Duitse doorbraak in de Slag bij de Marne op 40 kilometer van Parijs. Op 9 september verschanst het Duitse leger zich achter een verdedigingslinie langs de rivier de Aisne, 60 kilometer naar het noorden. Het Schlieffenplan, dat mikte op de overwinning van Parijs en de vernietiging van het Franse leger, valt hiermee in duigen. Dit is het eerste belangrijke teken dat de oorlog niet op korte termijn tot een einde zal komen, maar eerder zal uitlopen op een massale confrontatie op lange termijn.

Vanaf eind september beginnen beide partijen vanuit het dal van de Aisne aan de 'race naar de zee': het gaat erom de vijand nèt voor te zijn voordat hij zijn verdedigingslinie kan versterken. Gedurende meerdere weken vechten de zich onophoudelijk verplaatsende legers in wanordelijke gevechten die uitdraaien op zware verliezen. In oktober eindigt de race bij het Belgische Nieuwpoort aan de Noordzeekust. Franse en Britse eenheden smoren eind oktober bij Ieper een laatste poging tot doorbraak van de Duitsers. Beide partijen beginnen zich uitgeput in te graven achter een ononderbroken linie van loopgraven en verdedigingswerken.

Het resultaat van de bewegingsoorlog in de zomer en herfst van 1914 vertolkt een duidelijke industrialisering van de oorlog door de omvang van de geregistreerde verliezen. Het Franse leger alleen al is eind november 1914 bijna een miljoen man kwijt, waarvan 300.000 gedood. Tien procent van de Franse officieren is uitgeschakeld. De verliezen aan de Duitse kant zijn al even hoog na een offensief dat uitloopt op een volledige strategische flop.

[Tijdbalk: de belangrijkste fases en offensieven tijdens de Eerste Wereldoorlog. De deelname van geallieerde legers staat tussen haakjes: Franse leger (F), Britse leger (GB), Belgische leger (B); de door de Duitsers ontketende offensieven staan aangegeven met de letter (D). Vetgedrukt: de offensieven in de Nord-Pas de Calais.]

1914

- Slag der grenzen (14 t/m 25 augustus 1914)
- Eerste Slag bij de Marne (5 t/m 10 september 1914) (F en GB)
- Eerste Slag om de Artois (1 t/m 26 oktober 1914) (F)
- Eerste Slag bij Ieper (11 oktober t/m 30 november 1914) (D)
- Eerste Slag van Champagne (10 december 1914 t/m 17 maart 1915) (F en GB)


2.    De loopgravenoorlog (november 1914-maart 1918)

Ondanks de omvang van de geleden verliezen verkeert geen van de legers op het westfront in een staat van ontbinding in de herfst van 1914. Er moeten wel grootscheepse maatregelen ondernomen worden ter voorbereiding van een totale oorlog in nog ongekende vormen.

De Duitsers bezetten belangrijke gebieden in Frankrijk en België en hebben de macht over essentiële economische sectoren, met name de Belgische mijnstreken en de belangrijkste steenkolenader van Frankrijk – het mijngebied van de Nord-Pas de Calais dat voorziet in de helft van de Franse steenkoolbehoefte. Het Duitse leger installeert zijn verdedigingslinies met zorg en tact op de hogere punten in het landschap, tot op de meest onbeduidende bultjes in Vlaanderen toe.

Het hoofddoel van de Fransen is voortaan het heroveren van bezet gebied, ongeacht het aantal mensenlevens. Tot eind 1915 en de samenstelling van het ‘nieuwe Britse vrijwilligersleger’ kunnen de Fransen eigenlijk alleen maar rekenen op hun eigen krachten.

Tijdens vrijwel de hele positieoorlog, van eind 1914 tot eind 1917, zijn de opperbevelhebbers van de geallieerde legers op het westfront – de Franse maarschalk Joffre en Field Marshal French (later opgevolgd door generaal Haig) – ervan overtuigd dat het onophoudelijk herhalen van uitputtingsslagen de enige manier is om de Duitsers weg te krijgen uit de bezette gebieden in Frankrijk en België. Het gevolg is een reeks aanvallen van klein tot massaal formaat op verschillende zones in het front. Het aantal ingezette manschappen en materieel in deze slagen bereikt ongekende hoogtes in de militaire geschiedenis. Desondanks lopen alle pogingen tot voorjaar 1918 uit op bloedige mislukkingen: de zo gehoopte doorslaggevende ‘doorbraak’ heeft geen schijn van kans. De geallieerde offensieven mislukken of leveren slechts onbeduidende terreinwinsten op (in de Somme en bij Ieper) ten koste van onvoorstelbare mensenoffers. Eind 1917 houdt het Duitse leger machtig en onoverwonnen stand op het westfront, ondanks de mislukte poging om het Franse leger te verslaan bij Verdun. De Duitsers blijven hun verdedigingsstrategie verbeteren: sinds februari-maart 1917 trekken ze zich terug achter een machtige en schijnbaar onkwetsbare verdedigingslinie die van de Noordzeekust tot Verdun loopt: de Hindenburglinie.

De moraal van de Duitse troepen blijft vrij stabiel. De Fransen doorlopen echter in het voorjaar van 1917, sinds de verschrikkelijke tegenslag van het door generaal Robert Nivelle geleide offensief op de Chemin des Dames in april 1917, een zware crisis met grootschalige muiterijen.

Het in begin 1915 volledig herziene en gereorganiseerde Britse leger, met de toevoeging van het ‘nieuwe Britse vrijwilligersleger’ onder bevel van Field Marshal Horatio Kitchener, lijdt ernstige verliezen tijdens de Slag bij de Somme in juli 1916. De lering die uit deze bloedige mislukking getrokken kan worden, vindt met moeite een efficiënte uitwerking in het veld.

De Amerikaanse steun, door de Fransen en Britten beschouwd als doorslaggevend om de balans naar de geallieerde kant te doen doorslaan, neemt slechts langzaam vorm aan. De Amerikanen kiezen ervoor om zich eerst op het westfront te installeren voor een nadere kennismaking met de loopgraventechniek alvorens massaal de slagvelden te betreden.


1915, 1916, 1917

- Slag bij Neuve-Chapelle (10 t/m 13 maart 1915) (GB)
- Tweede Slag bij Ieper (22 april t/m 25 mei 1915) (D)
- Tweede Slag om de Artois (16 mei t/m 30 juni 1915) (F en GB)
- Offensief in de Argonne (20 juni t/m 4 juli 1915) (F)
- Tweede Slag van Champagne (25 september t/m 6 november 1915) (F)
- Slag bij Loos (25 september t/m 8 oktober 1915) (GB)
- Eerste Slag bij de Somme (1 juli t/m 18 november 1916) (GB en F)
- Slag bij Verdun, Duits offensief (21 februari t/m 18 december 1916) (D)
- Slag bij Verdun, Frans tegenoffensief (24 oktober t/m 18 december 1916) (F)
- Slag bij Arras (9 april t/m 15 mei 1917) (GB)
- Offensief op de Chemin des Dames (16 t/m 20 april 1917) (F)
- Slag bij Mesen (7 t/m 14 juni 1917) (GB)
- Derde Slag bij Ieper (31 juli t/m 10 november 1917) (GB en F)
- Slag bij Cambrai (20 november t/m 10 december 1917) (GB)


3.    De terugkeer van de bewegingsoorlog en de overwinning van de geallieerden (maart-november 1918)

Vanaf eind 1917 besluit het Duitse leger, onder bevel van generaal Erich von Ludendorff, om over te gaan tot een beslissende actie op het westfront na de val van het Russische leger op het oostfront door de Oktoberrevolutie. Het Duitse opperbevel traint grote aantallen rekruten met het doel een megaoffensief op het westfront te ontketenen, hierbij gebruikmakend van een nieuwe tactiek waarin stoottroepen vooropstaan die in hun aanval gesteund worden door mobiele, zeer lichte artillerie.

Een ontzagwekkend blok van 74 divisies (ofwel ongeveer 900.000 man) bouwt zich geleidelijk aan op tegenover een front van 80 kilometer, van Bapaume tot Saint-Quentin, verdedigd door 30 Britse divisies. Het doel van Ludendorff is door te dringen tot aan het Kanaal en de havens te bezetten die de verbinding met Groot-Brittannië onderhouden, en wel voordat de Amerikanen in groten getale voet aan wal zetten. Dit zou Duitsland in een sterke onderhandelingspositie zetten om de oorlog gunstig te beëindigen.

Ludendorff noemt dit doorslaggevende offensief de Kaiserschlacht, maar de codenaam is Michael. Het gaat om een soepel offensief met opeenvolgende aanvallen op meerdere plaatsen. Het plan geeft een belangrijke plaats aan de luchtmacht, waardoor een lancering in de winter uitgesloten is. De eerste dag van het offensief sturen de Duitsers meteen 700 vliegtuigen de lucht in om de grondtroepen te steunen.

In het voorjaar van 1918 bevinden de geallieerden zich in een kwetsbare situatie. Het Franse leger is sterk uitgedund tijdens de gevechten rond Verdun en de tragische nederlaag op de Chemin des Dames. De moraal van de troepen is danig verzwakt door de muiterijen van 1917 en de sociale oproer in het achterland. Het Britse leger heeft minder manschappen dan het jaar ervoor, kort voor de rampzalige offensieven van 1917, en moet desondanks een groter stuk van het front verdedigen. Veel van de infanteristen zijn zeer jonge knapen met amper ervaring. Bovendien hebben de Amerikanen nog niets bewezen in het veld.

Het grootse Duitse offensief begint in de vroege ochtend van 21 maart 1918 en richt enorme schade aan. Het Britse front bezwijkt en de verliezen zijn zwaar (38.000 slachtoffers in één dag, 20.000 krijgsgevangenen). De Britten blazen meteen de aftocht. Pas na een maand vechten besluit Ludendorff de aanval te onderbreken: de Duitsers hebben op sommige plaatsen 60 kilometer terrein gewonnen in de geallieerde linies, maar de troepen zijn uitgeput en de logistiek blijkt gebrekkig. Na een pauze van enkele dagen en de terugkeer naar een loopgravenoorlog in geïmproviseerde linies besluit Ludendorff om het offensief alsnog te hervatten, dit keer in de vorm van geconcentreerde, tactische aanvallen op beperkte sectoren van het front, zoals de operatie ‘Georgette’ in het Leiedal in de richting van Béthune tussen 9 en 29 april. De Duitsers verjagen het Portugese Expeditieleger uit Béthune en bombarderen de stad.

Vanaf mei 1918 lukt het de Fransen en de Amerikanen om de Duitse doorbraken te stoppen. Eind juli keert het tij door een machtig geallieerd tegenoffensief waarin de drie grote legers nauw samenwerken. Op 8 augustus 1918 begint een onafgebroken offensief van de geallieerden over het hele front. Deze dag wordt door Ludendorff beschreven als een ‘zwarte dag’ voor het Duitse leger in de Eerste Wereldoorlog. Na honderd dagen van intensieve strijd leidt dit offensief tot de overwinning van de geallieerden en de wapenstilstand op 11 november maakt definitief een einde aan dit grote bloedbad.

1918

- Offensief Michael (21 maart t/m 5 april 1918) (D)
- Operatie Georgette (Leiedal) (9 t/m 29 april 1918) (D)
- Offensief Blücher-Yorck (27 mei t/m 17 juni 1918) (D)
- Offensief Gneisenau (9 t/m 13 juni 1918) (D)
- Tweede Slag bij de Marne (15 t/m 19 juli 1918) (D)
- Offensief bij Amiens (8 augustus t/m 4 september 1918) (GB)
- Offensief tegen de Hindenburglinie (26 augustus t/m 12 oktober) (F, GB en B)
- Offensief bij Saint-Mihiel (12 t/m 16 september 1918) (US)
- Offensief Maas-Argonne (26 september t/m 11 november 1918) (F en US)
- Vlaamse offensief (28 september t/m 11 november 1918) (GB en F)
- Offensief van Picardië (17 oktober t/m 11 november 1918) (GB)

De geallieerden hebben na vier jaren van ongekende gevechten, door hun grootte en hun tragische resultaat, op het westfront een overwinning behaald op wat toen het machtigste en meest vakkundige leger ter wereld was.

Zelfs al staat Frankrijk voorop op de lijst van overwinnaars, de kosten van de Eerste Wereldoorlog zijn verpletterend: Frankrijk heeft een hele generatie jonge volwassenen verloren en de rijkste streken van het land, op industrieel en agrarisch gebied, zijn volledig verwoest.

Het Verenigde Koninkrijk heeft een hoge tol betaald: een in de Britse geschiedenis ongeëvenaard aantal verloren mensenlevens, evenals het verlies van enorme financiële reserves. Toch heeft de Eerste Wereldoorlog bijgedragen aan een grootschalige verandering in het Britse leger, dat tot die tijd alleen koloniale taken verrichtte en zich tijdens de oorlog tot een machtige strijdkracht ontwikkelde die breed opgezette operaties kon leiden. De oorlog riep in de dominions van het Britse Rijk (Canada, Australië en Nieuw-Zeeland) een zekere vaderlandsliefde op, wat uiteindelijk leidde tot de onafhankelijkheid van deze landen.

De Duitsers liepen ook zware schade op. Veel mensenlevens, uitgeputte financiën, maar hun grondgebied bleef intact. Veel Duitsers gooiden de nederlaag eerder op politiek gesjoemel dan op militair falen. Een vruchtbare basis voor een nationalistische revanchepolitiek, vooral bij oud-strijders zoals een zekere Adolf Hitler.

De late inmenging van de Amerikanen bleek doorslaggevend en dreef Duitsland tot het fatale offensief. De Verenigde Staten van Amerika bereiken met beperkte verliezen en een gesterkte economie in 1918 de status van wereldmacht.

Yves LE MANER,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herdenking van de Nord–Pas-de-Calais