Het Schlieffenplan

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Rond de twintigste eeuwwisseling verstoort de machtsgroei van het Duitse Rijk het spel van de grote Europese machten op het oude continent. Keizer Wilhelm II probeert inderdaad Duitsland zwaarder te laten wegen op internationaal vlak, ten koste van de koloniale, diplomatieke en commerciële belangen van zijn buurlanden: het Britse Rijk, de Franse Republiek en het tsaristische Rusland. De keizer negeert het Herverzekeringsverdrag van kanselier Bismarck met Rusland en trekt de banden aan met Oostenrijk-Hongarije om meer invloed uit te kunnen oefenen op de Balkans, ondanks een sterke Russische vertegenwoordiging.

Het verbond tussen Frankrijk en Rusland in 1894 draagt bij aan de diplomatieke isolatie van Duitsland. Graaf Alfred von Schlieffen, hoofd van het Duitse opperbevel sinds 1891, voelt de bedreiging van deze nieuwe situatie voor Duitsland in geval van oorlog. Het Duitse Rijk kan klem gezet worden door de troepen van Tsaar Nicolaas II aan de ene en het Franse leger – nog altijd uit op revanche sinds de nederlaag in de oorlog van 1870-1871 – aan de andere kant.

Een uitgebreide analyse van het leger stelt Von Schlieffen in staat een plan te trekken om het Franse leger uit te schakelen alvorens de Russen te trotseren op het oostfront. Rusland heeft in aantal een duidelijk machtig leger, maar de oppervlakte van het grondgebied stelt de troepen niet in staat om binnen zes weken gevechtsklaar te zijn. Von Schlieffen stelt dus voor om de Duitse troepen in de eerste instantie op het westfront te concentreren om zo snel mogelijk het Franse leger uit te schakelen, en vervolgens alleen maar aan het oostfront hoeven te vechten. De oorlog moet hierom zo kort mogelijk duren, want Duitsland beschikt niet – zoals Frankrijk en Engeland – over extra strijdkrachten uit koloniën om zijn leger aan te vullen.

Zoals Von Schlieffen het uitdrukt: “We moeten het Franse bastion binnendringen via de zone Mézières-Duinkerken. We moeten de Fransen onophoudelijk in hun linkerflank aanvallen en hen zonder respijt terugdringen naar de Jura en Zwitserland”. Ondanks de grens tussen Frankrijk en Duitsland in de Elzas leent de zone zich niet echt voor een massale aanval, en wel om drie belangrijke redenen. Het gebied is bergachtig met veel boerenland en slechte verbindingen, wat het vervoer van troepen en materieel moeilijk maakt. Bovendien heeft Frankrijk sinds de Duitse annexatie van de Elzas in 1871 langs de grens tussen Belfort en Verdun forten laten bouwen door militair ingenieur Raymond Séré de Rivières. Frankrijk installeert in deze forten een groot deel van zijn soldaten in geval van het uitbreken van een oorlog met de troepen van de Kaiser. Tenslotte zou een aanval in deze zone de mijnen en industriegebieden van het nabijgelegen Saarland in gevaar brengen, mochten de Franse troepen Duitsland intrekken.

Ervan uitgaande, evenals kanselier Bethmann-Hollweg, dat het concept van 1851 – dat de Belgische neutraliteit garandeert – maar een ‘vod papier’ is, neemt het Duitse opperbevel zich voor de Belgische neutraliteit te schenden om Frankrijk binnen te vallen via het noorden en de Ardennen. Dit opent voor het Duitse leger de vlaktes van Picardië voor een snelle, efficiënte opmars naar Parijs, om vervolgens de Franse troepen in het oosten in de rug aan te vallen. Duitsland zou tegelijkertijd de industrie en de mijnstreek in de regio Nord-Pas de Calais achteroverdrukken en profiteren van het bijbehorende uitgebreide wegen- en spoorwegennet.

Het plan dat von Schlieffen voorlegt, berekent voor deze operatie 35 legereenheden en 8 cavaleriedivisies tussen Duinkerken en Verdun. Von Schlieffen trekt zich in 1906 terug na het hele Duitse opperbevel van zijn strategie te hebben overtuigd. Zijn opvolger generaal Moltke wijzigt dit plan door twee legereenheden van de 35 in de Elzas te houden, wat het aantal manschappen dat ten aanval zal trekken in België en het noorden van Frankrijk vermindert.

Veel historici zien de hoofdoorzaak van de mislukking van het Schlieffenplan dat door Duitsland gelanceerd werd op 4 augustus 1914, een dag na de oorlogsverklaring aan Frankrijk, in deze vermindering van manschappen. Tegen alle verwachtingen in stuit het Duitse leger op een sterke weerstand van het Belgische leger, vooral bij Antwerpen en Bergen. Tot grote verrassing van Wilhelm II en Moltke reageert Groot-Brittannië door op zijn beurt de oorlog te verklaren aan Duitsland met als motief de schending van de neutraliteit van België. Op 7 augustus zetten 75.000 man van het Britse Expeditieleger (British Expeditionary Force, BEF), onder bevel van generaal French voet aan wal op het oude continent, met als taak de Duitse opmars in België en vervolgens in Frankrijk te stoppen. De BEF ondersteunt het Belgische leger tijdens de Slag bij Bergen op 23 augustus 1914 en remt, tijdens de terugtocht naar Frankrijk, opnieuw het Duitse leger in de Slag bij Le Cateau op 26 augustus. De Franse strijdkrachten leggen een bittere weerstand aan de dag ter verdediging van de ring van Maubeuge tijdens het beleg van Maubeuge en weerhouden zo’n 60.000 Duitse soldaten van hun beoogde opmars naar Parijs.

De Eerste Slag bij de Marne, ontketend op 5 september, beëindigt definitief het Schlieffenplan: het Franse leger heeft de tijd gehad om zijn mannen te verzamelen en is klaar voor de verdediging van Parijs. De oorlog zal niet kort zijn en het Duitse leger zal moeten strijden op twee fronten: het Frans-Belgische front in het westen en het Russische front in het oosten.

Generaal Moltke wordt uit zijn functies in het Duitse opperbevel ontzet en vervangen door generaal Falkenhayn.

 Didier Paris, docent geschiedenis, en Edouard Roose