Het Duitse voorjaarsoffensief in 1918, de Kaiserschlacht

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Tegen het eind van 1917 profiteert het Duitse opperbevel meteen van de nieuwe, uiterst gunstige strategische context: de Russische revolutie en de val van het Russische leger verleggen de concentratie van het Duitse leger naar slechts één front, het westfront. Ludendorff besluit een doorslaggevende aanval voor te bereiden. Een mega-offensief in het voorjaar van 1918, voordat het Amerikaanse leger op volle kracht draait. Het offensief is gericht tegen het Britse leger, de Duitse strategen vermoeden dat de Britten nog uitgeput zijn van de laatste vier bloedige en frustrerende slagen uit 1917: Arras, Mesen, Passendale en Cambrai.

Half februari 1918 zijn verreweg de meeste Duitse divisies van het oostfront overgeplaatst naar Frankrijk. Van de 110 divisies in de eerste linie staan 50 divisies tegenover het Britse front, dat zeer smal is ten opzichte van de Franse sector. Het Duitse offensief is met pathos de Kaiserschlacht genoemd – de Slag van de Keizer – en bestaat uit twee fases: de eerste fase slaat toe bij de Somme, de tweede moet de laatste hand leggen aan de breuk in Frans-Vlaanderen.

Het basisprincipe van het eerste offensief – operatie ‘Michael’ – bestaat uit het doorbreken van het Britse front voor Amiens om vervolgens naar het noorden te trekken om de spoorwegverbindingen voor de aanvoer van bevoorrading af te snijden en de Britse strijdkrachten zo nauw in te sluiten totdat ze capituleren. De gekozen zone voor het offensief wordt door de Britten gegeven, op aanvraag van de Fransen: de Britse premier D. Lloyd George heeft toestemming gegeven voor de conferentie van Boulogne, ondanks het negatieve standpunt van het opperbevel.

De linie die het Franse leger achterlaat, blijkt in slechte staat, wat de Britten noodzaakt om grote restauratiewerkzaamheden te plannen. De verbouwing is goed op gang als de Duitse aanval begint. Het Britse leger doorloopt tegelijkertijd een moeilijke periode, gekenmerkt door de drastische afname van aanvoer van versterking en een serieuze afname van de moreel van de troepen door de kostbare nederlagen na de Derde Slag bij Ieper en de Slag bij Cambrai.

De strategische keuze van de Duitsers is misschien eenvoudig, de uitwerking ervan vergt belangrijke tactische vernieuwingen die efficiënt bleken op het Italiaanse front en het oostfront, vooral tijdens de Slag bij Riga. Allereerst een voorbereiding door de artillerie: in plaats van te mikken op infanteriestellingen van de eerste linie concentreren ze zich op mitrailleursposten en artilleriebatterijen op het front van de tegenpartij, maar ook op verbindingsknooppunten van de achterhoede (hoofdkwartier, stations). Dit dieptespervuur moet kort (enkele uren) maar massaal zijn. De aanval van de infanterie: de eenheden worden opgesplitst in kleine groepen, getraind op infiltratie. Ze buiten de bres zo snel mogelijk uit en laten aan de tweede golf de zorg van het vernietigen van weerstand door gebruik van mobiel geschut.

De operatie ‘Michael’ begint op 21 maart 1918 en slaat in als een bom. De Britse troepen staan bloot aan ongekend geweld. De Duitsers gebruiken ten volle hun numerieke meerderheid (58 divisies tegen 16) en slaan in enkele uren een grote bres in het Britse front. Een aantal divisies zijn letterlijk van de kaart geveegd, zoals de 16e (Ierse), de 36e en de 66e. De eenheden die niet uiteengevallen zijn, trekken zich al vechtend en in grote paniek terug: de wegen zijn versperd, de Duitse artillerie zaait grote wanorde. Amiens wordt al snel bedreigd, wat de Britten dwingt om op grote schaal reservetroepen in te schakelen om de bres te dichten.

De paniek slaat toe in Franse en Britse politieke en militaire sferen. De angst voor een complete instorting dwingt hen tot het met spoed opstellen van een uniek gezag om de coördinatie van de geallieerde strijdkrachten te bundelen, een principe dat sinds het begin van de oorlog systematisch verdrongen werd. De Duitse opmars begint na een aantal dagen af te zwakken door een ontoereikende logistiek (gebrek aan munitie en zelfs voeding voor de troepen) en een toenemende weerstand van de tegenstander – bijvoorbeeld die van de Australiërs bij Hébuterne –. Geleidelijk aan begint het spectaculaire succes dat Ludendorff in het begin had te wankelen.

De tweede fase van het Duitse offensief – operatie ‘Georgette’, ook bekend onder de naam Slag bij de Leie – begint op 9 april in Frans-Vlaanderen. Voor Ludendorff is deze slag een kwestie van ‘quitte of dubbel’. Het scenario komt overeen met de eerste fase: een spectaculaire doorbraak bij de Leie, de snelle inname en verwoesting door brand van Stegers (Estaires, 9-10 april) en de inname van de heuvelrug van Mesen (Messines, 10-11 april), een doorbraak naar Hazebroek (Hazebrouck) die doodloopt bij het belangrijke spoorwegknooppunt (12-15 april), de verwoesting en inname van Belle (Bailleul, 12-15 april), een eerste veldslag bij de Kemmelberg (17-19 april), een nieuw falen om Béthune te bereiken dat uit woede een massaal bombarderen van de binnenstad als gevolg heeft. Waar sommige Britse divisies zich inzetten om de Duitse aanval te stoppen met vaak hachelijke middelen – geïmproviseerde barricades in de straten van Armentières en Bailleul, vertragingseenheden achter spoordijken – laten anderen zich overmeesteren door het geweld van de actie. Zo vergaat het ook het Portugese Expeditieleger dat uiteenvalt voor Neuve-Chapelle. Foch besluit Franse troepen ter versterking te sturen om zijn in het nauw gedreven bondgenoot te helpen. De Franse eenheden maken het apocalyptische bombardement van de Tweede Slag om de Kemmelberg mee op 25 en 26 april. Ondanks de omvang van de verliezen lukt het de geallieerden om het front te stabiliseren. Op 29 eindigt de Kaiserschlacht in een fiasco.

De menselijke verliezen zijn aanzienlijk in beide kampen vanwege het volume en de duur van het dubbele offensief. De Britten tellen 236.000 slachtoffers in de periode tussen 21 maart en 29 april 1918. De structuur van de verliezen is bijzonder: relatief weinig doden (toch een kleine 20.000!), veel vermisten (120.000) en de rest krijgsgevangen genomen. De Fransen hebben een lager aantal slachtoffers (92.000) maar in verhouding beduidend meer doden bij de eenheden die op de Kemmelberg waren. De Duitsers verloren in dezelfde periode 348.000 man.


Yves Le Maner
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais