Het beleg van Maubeuge (25 augustus – 8 september 1914)

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Maubeuge speelt een belangrijke rol in de verdediging van de grens van Noord-Frankrijk sinds Vauban in de zeventiende eeuw een citadel rond de stad aanlegde. Na de oorlog van 1870-1871 maakt militair ingenieur Raymond Séré de Rivières van deze vestingplaats een belangrijk element in de verdedigingslinie die van Zwitserland tot Duinkerken loopt om elke aanval van de kant van Duitsland af te weren. Hij legt op enkele kilometers van de stad zes forten en zes tussenwerken aan.

Maubeuge is voor het Duitse leger een strategisch doelwit in het Schlieffenplan, maar tegelijkertijd ook een gevaar. De stad ligt inderdaad op een kruising van spoorwegen die Brussel en Luik met Parijs verbinden. Maubeuge is ook een vestingstad waar in 1914 niet minder dan 47.000 Franse soldaten gelegerd zijn die de flank van het eerste leger onder bevel van generaal Alexander von Kluck behoorlijk kunnen bedreigen. De generaal besluit over te gaan tot het beleg van de stad. Hiermee begint het langste beleg van de Eerste Wereldoorlog.

Alle forten, behalve het met beton geconsolideerde fort Bourdiau, zijn opgetrokken uit baksteen en dus gevoelig voor bommen. Bovendien is het geschut van de forten sterk verouderd: een schootsveld van acht kilometer kan niet wedijveren met het Duitse geschut dat tot 14 kilometer bereikt. Generaal Fournier, bevelhebber over de ring van Maubeuge, laat kilometers prikkeldraad uitrollen om het geringe aantal mannen over de 36 te verdedigen kilometers te verdoezelen.

Op 25 augustus 1914 wordt de ring aangevallen door 60.000 Duitse soldaten. Op 29 augustus wordt fort Boussois gebombardeerd door 305 en 402 mm-kanonnen en is in drie uur tijd vrijwel geheel verwoest. De Fransen proberen op 1 september de infanterie erop af te sturen: een totale mislukking en een verlies van 923 soldaten. De verbinding met de andere Franse troepen is verbroken, op een postduif na. Deze duif geeft op 4 september de informatie over de omgeving door: de forten Les Sarts, Boussois, Cerfontaine zijn platgegooid door de Duitse artillerie. Het arsenaal is opgeblazen. Op 6 september valt de Duitse infanterie aan. Fort Boussois wordt ingenomen en de Fransen verlaten fort Les Sarts. Aan het einde van de ochtend wordt fort Cerfontaine belaagd. De stad staat in brand. Het hoofd van het opperbevel beschrijft de situatie als volgt: “De artillerie van de tegenstander bedelft onze infanterie onophoudelijk onder salvo’s van granaten van groot kaliber. Het is een wonder dat zo’n ongelijke strijd zo lang heeft kunnen duren. De verliezen zijn enorm (minstens een kwart van de manschappen). Op het ogenblik legert de vijand bij de wijk Pont-Allant, midden in de ring. Onze troepen zijn niet meer dan een menigte zonder leiding in de wijk Mons. Ze kunnen de strijd niet meer aan”. Desondanks besluit generaal Fournier dat de stad tot het uiterste volhoudt. Op de ochtend van 7 september wordt fort Leveau gebombardeerd. Rond het middaguur prijkt de witte vlag op de kerktoren. Op 8 september is de capitulatie officieel.

Het beleg van Maubeuge heeft 15 dagen geduurd, waarvan 11 onder zware bombardementen. 45.000 Franse soldaten zijn krijgsgevangen genomen. 450 kanonnen en 80.000 granaten zijn in Duitse handen gevallen. Desondanks verhindert het beleg de doorgang van Duitse troepen in hun opmars naar Parijs. 60.000 Duitse soldaten zijn hierdoor ver van de Slag bij de Marne gehouden die op 5 september begint.

Didier Paris, docent geschiedenis, en Edouard Roose