De Slag bij Cambrai (20 november t/m 4 december 1917)

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

De Slag bij Cambrai, een term die duidt op de aanval in november 1917 tegen de Duitse stellingen van de Hindenburglinie, valt onder het rijtje bloedige en nutteloze aanvallen op het westfront. Deze slag wordt echter gekenmerkt door belangrijke vernieuwde tactieken in beide kampen die de gevechtsmethodes van 1918 aankondigen om uit de strategische impasse te komen waarin het front sinds herfst 1914 vastzit.

De meest spectaculaire vernieuwing is het gebruik van tanks door de Britten als doorslaggevend element in de veldslag. De nieuwe methodes van de Duitsers in de tegenaanval zijn misschien het meest belangrijke initiatief, op zowel korte als middellange termijn.

De Britten maken voor het eerst gebruik van tanks in september 1916 tijdens de Slag bij de Somme. Behalve het verrassingseffect blijken de tanks van weinig nut. In 1917 groeien de twijfels rond deze weinig betrouwbare, langzame machines die slecht bestand zijn tegen de Duitse artillerie: de Britse pogingen bij Arras en Passendale en de Franse op de Chemin des Dames lopen uit op rampen.

Het Duitse opperbevel laat zich misprijzend uit over dit nieuwe wapen zonder toekomst. De officieren van het Britse Tank Corps blijven echter hameren op de voordelen van het gebruik van deze kolossen als elementen die de mythisch geworden opmars mogelijk kunnen maken. Luitenant-kolonel John Fuller pleit voor het gebruik van veel tanks op droge bodem, maar niet in de modder in Vlaanderen. Douglas Haig weert de tanks lang af, maar het idee van een tankoperatie duikt weer op als de Britten zich bewust worden van het tragisch vastlopen van de Derde Slag bij Ieper. Vanaf dat moment mikt Haig op dit nieuwe offensief om de zo lang verwachte doorslaggevende doorbraak te verwezenlijken, ook omdat de publieke opinie in de geallieerde landen zich ongerust begint te maken over de verzwakking van Rusland.

Het Britse hoofdkwartier kiest Cambrai als doelwit: de stad is een van de belangrijkste Duitse spoorwegknooppunten en garnizoensplaatsen op het westfront en is omgeven door wijde vlaktes op krijtbodem, uiterst gunstig voor het gebruik van tanks. De stad is aan de westkant goed verdedigd door de Hindenburglinie, maar de Britse inlichtingendienst weet dat de betreffende aanvalszone gehouden wordt door in Ieper verzwakte troepen die nu een minder belangrijk geachte plaats op het front bezetten.

Het Britse aanvalsplan, ontworpen door generaal J. Byng, commandant van het 3e leger, is degelijk ontwikkeld: hij mikt op het doorbreken van het Duitse front en vervolgens Cambrai te omcirkelen en in te nemen na een geslaagde frontale doorbraak van de Hindenburglinie en deze uitgebuit te hebben met drie cavaleriedivisies. De voorbereidingen op de aanval zijn compleet vernieuwd: geen voorbereidend bombardement meer, maar een echt verrassingseffect. De tanks maken de weg vrij voor de infanterie. De luchtmacht verstoort de Duitse achterhoede om de aanvoer van versterking te belemmeren.

De aanval begint op 20 november om 6.20 uur op een front van tien kilometer breed. Het Tank Corps zet 476 tanks in, waarvan 350 bewapend. Zes infanteriedivisies doen mee aan de aanval. Het begeleidende bombardement is zeer goed getimed en verrast de Duitsers. Op sommige plaatsen gebruiken de Britten oorlogsgassen, afgeschoten door de fameuze Livens-cilinders.

Voorafgegaan door een waar gordijn van ontploffingen gaan de tanks snel vooruit en bereiken de Duitse loopgraven. Voor het eerst sinds de bouw is de Hindenburglinie zwaar beschadigd. Diverse Duitse eenheden blazen de aftocht door de onaangename verrassing en de angst die de tanks oproepen. De Britten maken ongeveer 8.000 krijgsgevangenen op de eerste dag van het offensief. Het is de snelste opmars in een aanval sinds 1914: op de avond van 20 november hebben de Britten 9 kilometer terrein gewonnen en zijn ze op 6 kilometer van Cambrai.

Maar, het probleem blijft de uitbuiting van de doorbraak. Om een voorbeeld te geven: het gewicht van een Britse tank doet de berg van Masnières inzakken en brengt de voortgang van de cavalerie in gevaar. Sterker nog, de versterking komt niet snel genoeg door via versperde wegen: 15 uur zijn nodig om de laatste vijf kilometers naar het front te overbruggen.

De stoot van de eerste aanval verdwijnt in feite tegelijk met het verrassingseffect. De Duitsers bedreigen de meest vergevorderde troepen bij het bos van Bourlon. De Britten vallen op 23 november aan, tegelijk met het luiden van de klokken in Groot-Brittannië om wat een wonderbaarlijke overwinning lijkt te zijn. Enkele tanks en een Welse brigade bezetten een deel van het bos van Bourlon ondanks zwaar artillerievuur, maar zijn volledig geïsoleerd van de rest.

Ludendorff besluit na een algemene terugtrekking overwogen te hebben tot een tegenaanval. Hij trommelt een twintigtal divisies op en geeft het signaal in de ochtend van 30 november. Het succes laat geen minuut op zich wachten en is verwoestend. De Duitsers, ondersteund door gasgranaatvuur, winnen in twee uur meer dan vijf kilometer terrein en dreigen even meerdere in een lus geïsoleerde Britse divisies in te sluiten. De aanvallers gebruiken nieuwe strijdmethodes, gebaseerd op infiltratie in de vijandige linies van kleine groepen overbewapende en zeer goed getrainde soldaten. Deze nieuwe tactiek, uitgedacht door veldofficier Oskar von Hutier, was al met succes getest op het Italiaanse front.

Als de gevechten op 4 december staken, is wat de Britten oorspronkelijk een onverhoopt succes noemden uitgelopen op een compleet fiasco. De eerste terreinwinst is verloren gegaan, de menselijke verliezen zijn in beide kampen in balans en even hoog: 44.000 doden, gewonden en vermisten (waarvan 6.000 krijgsgevangenen) bij de Britten, 45.000 (waarvan 10.000 krijgsgevangenen) bij de Duitsers.


Yves Le Maner
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais