De Slag bij Arras (april 1917)

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

De Slag bij Arras in het voorjaar van 1917 is een van de grootste offensieven op initiatief van het Britse leger op het westfront, op gelijke schaal met de Slag bij de Somme en de Derde Slag bij Ieper.

De stad Arras was vanaf oktober 1914 het doelwit van de Duitse artillerie. Arras was in handen van de geallieerden, maar lag op enkele kilometers van het front en vormde zo een lus in de Duitse linies. Het belfort en het stadhuis, symbolen van de middeleeuwse stad, zijn verwoest en een groot deel van de wijken in het centrum ernstig beschadigd.

Vanaf februari 1916 is Arras Brits met een tweetalig bestuur, half Engels half Frans, bewoond door slechts een klein deel van de oorspronkelijke burgerbevolking.


De plannen van de geallieerden voor 1917

Naar aanleiding van de conferentie in Chantilly op 16 november 1916, waar het geallieerde opperbevel de grote militaire lijnen van 1917 bepaalde, leggen generaal Nivelle – die zojuist benoemd is tot opperbevelhebber van het Franse leger – en zijn Britse collega Haig de basis voor een gemeenschappelijke actie om het Duitse front te doorbreken.

De stad Arras in de Britse zone wordt aangewezen als vertrekpunt voor een afleidingsoffensief. Deze actie, in combinatie met een grootschalige aanval in het Franse gebied, moet de Duitse reservetroepen enkele dagen voor de ontketening van de Franse aanval ‘weglokken’ en zo de doorbraak van de Duitse linies in de buurt van de Chemin des Dames vergemakkelijken.

Sinds de conferentie bereiden de Britten aanvalsplannen voor in het kader van een operatie die begin april 1917 van start gaat. De grootste zorg van het opperbevel is genoeg eenheden op te trommelen zonder de argwaan van de tegenpartij te wekken. Het Britse opperbevel werkt een nieuwe methode uit om de bloedbaden in de slagen bij Verdun en de Somme te vermijden: de troepen worden onder het niemandsland door via een uitgestrekt onderaards netwerk van ongeveer 20 kilometer naar de eerste Duitse linie geleid. Het graafwerk wordt toevertrouwd aan Nieuw-Zeelandse tunnelgravers.

De voorbereidingen op het voorjaarsoffensief

De gigantische graafwerkzaamheden eindigen eind maart. Op de avond voor het begin van de slag kunnen de tunnels en kelders onder de stad meer dan 24.000 man herbergen, ofwel evenveel als het aantal inwoners voor het uitbreken van de oorlog. Het netwerk bestaat uit twee hoofdtakken. De eerste, onder de weg naar Cambrai, valt ten deel aan de Schotten van de 9e infanteriedivisie die de tunnels namen van hun Schotse woonplaatsen geven – Carlisle, Glasgow – en de Britten uit de 35e divisie die hun tunnels Manchester, Liverpool en Chester noemen, ter herinnering aan hun thuisland. De tweede tak onder de wijk Ronville wordt vanaf 12 februari 1917 het onbetwistbare domein van de Nieuw-Zeelanders. Hun tunnels krijgen eerder namen als Wellington. Het onderaardse netwerk bestaat in totaal uit 19 kilometer tunnels.

Om aan de dagelijkse behoeften van de mannen te voldoen, worden keukens ingericht. Het drinkwater komt uit putten of via leidingen. Alle tunnels zijn voorzien van elektrische verlichting. In elke zaal zijn sanitaire voorzieningen geïnstalleerd. De normen voldoen niet echt aan de zeer strenge Britse regels voor tijdelijke kampementen, desondanks bieden de tunnels van Arras de mannen – zeker ten opzichte van het leven in de loopgraven – een grote veiligheid ondanks de nabijheid van het front en een vorm van comfort voordat ze ten strijde trekken.

De realiteit vereist echter dat de Britten in een tunnel onder het kruispunt van de Rue du Temple en de Rue de Saint-Quentin een functioneel hospitaal inrichten. De Thompson’s Cave, genoemd naar de ontwerper, biedt plaats aan 700 gewonden. Alles is aanwezig om het personeel efficiënt te laten werken: wachtkamers om de gewonden beter door te verwijzen, een operatiezaal, een rustzaal voor de ziekendragers en reservepersoneel, en een lijkenhuis. Borden verwijzen naar de diverse afdelingen. Ook het ziekenhuis heeft elektrische verlichting.

Het onderaardse netwerk is zeker het meest originele punt in het strijdplan, maar de aanvallers mikken ook op een buitengewoon krachtige voorbereidende artillerie. De doelwitten zijn via invallen en luchtverkenning boven de Duitse linies sinds 1916 nauwkeurig genoteerd. De belangrijkste aanslagen rusten op de schouders van enkele honderden mannen. Zij hebben als taak de weerstand van de Duitsers te testen, maar ook om zoveel mogelijk informatie in te verzamelen over de structuur en de diepte van de Duitse verdediging. Enorme maquettes zijn in elkaar gezet aan de hand van deze verkenningsoperaties om zoveel mogelijk aanvallers vertrouwd te maken met wat hen in het veld te wachten staat.

Het gebruik van nieuwe wapens staat ook op het programma: de tank – voor de tweede keer na een haperend begin bij de Somme – en de laatste uitvinding van kapitein Livens. Zijn wapen bestaat uit een afschietbuis die gasflessen wegschiet over lange afstanden om de gevaarlijke zone te overbruggen, mocht de wind keren en de gifgassen terugdrijven.

Op 6 april zijn de aanvallers goed geluimd, vooral sinds aangekondigd is dat de Amerikanen aan de oorlog gaan deelnemen.

Z day

Op maandag 9 april 1917, om 5.30 uur, trekt het 1e Britse leger bestaand uit vier Canadese divisies onder bevel van generaal Horne ten strijde op de vlakte van Vimy, na een intensief bombardement van vier dagen om elke actie van de tegenpartij de kop in te drukken. Als de heuvelrug eenmaal overwonnen is, kan het 3e leger van generaal Allenby richting Douai trekken, een belangrijk verbindingspunt, en de mijnstreek ontlasten. Dit leger heeft tevens als doel het dorp Monchy-le-Preux in te nemen, enkele kilometers ten oosten van Arras. Dit dorp beheerst de toegang tot het dal van de Scarpe en kan een belemmering zijn voor een tweede tak van het offensief in de richting van Cambrai, een ander knooppunt van levensbelang voor het Duitse militaire systeem. Het 5e leger van generaal Gough, ten zuiden van het aanvallende dispositief, heeft als hoofdtaak de inname van het dorp Bullecourt, een machtig en strategisch Duits steunpunt in de Hindenburglinie.

De eerste twee dagen van de Slag bij Arras bestaan uit een reeks tactische successen van de Britten die meer dan vijf kilometer terrein winnen op beide oevers van de Scarpe en de dorpen Thélus, Farbus, Saint-Laurent-Blangy, Feuchy, Athies, Fampoux, Tilloy-les-Mofflaines en Neuville-Vitasse innemen. Door de overwinning op de heuvelrug van Vimy beheerst de Britse artillerie de dorpen Givenchy-en-Gohelle, Vimy, Willerval en Bailleul-Sire-Bertoult die tot dan toe Duitse artillerienesten waren en die de Duitsers moeten verlaten. Het dorp en de heuvel van Monchy-le-Preux, door de Duitsers omgebouwd tot fort, zijn na enkele verbitterde gevechten op 11 april overwonnen. De volgende dag vallen Wancourt en Héninel in handen van de geallieerden.

Deze snelle opmars dwingt de Duitsers tot een strategische aftocht naar hun tweede verdedigingslinie. Door de aanvoer van versterking ontketenen ze vanaf 14 april pittige tegenaanvallen en weten het Britse offensief tot stilstand te brengen. Eens te meer kan de doorbraak van de eerste dag, tot stand gekomen met weinig verliezen, niet uitgebuit worden. Vervolgens slibt de Slag bij Arras vast in plaatselijke, maar bloedige gevechten voor Arleux (28-29 april), Fresnoy (3-4 mei), Rœux (13-14 mei).

Terwijl de Britten en Canadezen bij Arras vechten, loopt het hoofdoffensief van de Fransen op de Chemin des Dames uit op een fiasco dat het hele leger doet wankelen. Field Marshal Haig probeert nog een paar weken aan te vallen op de linie Gavrelle–Rœux–Guémappe–Fontaine-les-Croisilles ondanks drastische tegenslagen. Deze acties hebben als doel het afleiden van de Duitsers om de Franse troepen te ontlasten, en het bepalen van een nieuw, samenhangend en dus beter verdedigbaar front.

Zware verliezen

Het resultaat van de Slag bij Arras lijkt in de eerste instantie gunstig voor de Britten: 20.000 krijgsgevangenen, een belangrijke hoeveelheid wapens, aanzienlijke terreinwinst waardoor de gevechtszone een tiental kilometers verplaatst is en de ontsluiting van de stad Arras die sinds oktober 1914 aan Duitse bombardementen onderworpen was. Deze tactische resultaten hadden echter een hoge prijs. Iets meer dan 100.000 Britten zijn buiten gevecht gesteld in april en mei 1917 voor Arras. De verliezen aan Duitse zijde zijn moeilijker te evalueren door gebrek aan betrouwbare bronnen, maar kunnen ongeveer op gelijke grootte worden geschat.

Yves Le Maner
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais