Bullecourt, een beproeving voor de Australiërs (april en mai 1917)

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

De soldaten van de Australian Imperial Forces (AIF) worden tijdens hun eerste deelname aan de gevechten op het westfront verwelkomd met een bloedige vuurdoop bij Fromelles op 19 en 20 juli 1916 en vervolgens bij Pozières in de Somme op 23 juli. De zware verliezen (28.000 man in zeven weken) zaait verwarring in de Australische maatschappij en doet enkele maanden later een referendum over de instelling van de dienstplicht falen. Tegelijkertijd zakt het aantal aanmeldingen van vrijwillige dienstnemers in. Vanaf dat moment, tot aan het einde van de oorlog, moet het Australische leger het doen met minimale versterking.

De Australiërs lijden buiten de dagelijkse levensomstandigheden in de loopgraven in een ijskoude, regenachtige winter grote verliezen in de loop van 1917: eerst in de zone Bapaume-Bullecourt, vervolgens in de hachelijke modderpoel bij Passendale in België.

Als de Duitsers zich op 19 maart 1917 terugtrekken achter de Hindenburglinie, betreden de Australiërs de volledig platgebrande stad Bapaume. Ze proberen de zich terugtrekkende Duitsers te achterhalen, overwinnen dorpen die in puin liggen (Vaulx-Vraucourt, Morchies, Beaumetz), en komen vervolgens de Duitse achterhoede tegen die een heftige nastrijd levert in Lagnicourt, Noreuil, Hermies. Uiteindelijk lopen ze op 9 april vast op de Hindenburglinie. De hinderlaag wordt onmiddellijk op zijn juiste waarde ingeschat door de soldaten op de eerste rang: dichte prikkeldraadbarrières, diepe, trapsgewijze loopgraven, talloze mitrailleursnesten – meestal onder betonnen beschutting –, tunnels, schuilloopgraven en zeer diepe bunkers.

Tegelijk met de voorbereidingen op de grote aanval van de 1e en 3e Britse legers voor Arras – gepland voor begin april 1917 als voorspel op het Franse offensief op de Chemin des Dames – stelt generaal Gough – commandant van het 5e Britse leger dat ook vier Australische divisies telt – voor een extra aanval in te plannen op een smal stuk front tussen twee sterke punten van de Hindenburglinie in de dorpen Bullecourt en Quéant. In de eerste instantie wordt een voorbereiding van de artillerie gepland, met als doel het openen van een weg door de prikkeldraadbarrières van de Duitsers. Maar Gough besluit zijn plannen te wijzigen nadat hij de eerste successen verneemt van de Britse aanval bij Arras op 9 april. Hij vervroegt zijn aanval en rekent alleen nog op tanks om de prikkeldraadzones te passeren zonder de massale steun van de artillerie, en verwacht een bres te slaan voor de Australische cavalerie.

Er zijn echter te weinig en slecht betrouwbare tanks beschikbaar, en de manschappen zijn niet voldoende getraind. De improvisatie, zo kenmerkend voor Gough’s handelswijze, loopt uit op een fiasco: hij stuurt de infanteristen zonder artillerievuur ten aanval op een sterke verdedigingslinie… Na een eerste uitstel op 10 april wegens het ontbreken van tanks, wordt de aanval verzet naar 11 april om 4.45 uur. De Australiërs vertrekken vanuit hun schuilplaats achter een verhoogde spoorbaan over de vlakte naar de Duitse linies. Ze worden gesteund door slechts elf tanks die geen enkele rol van betekenis spelen in de strijd. De aanvallers vallen onmiddellijk ten prooi aan artillerie- en mitrailleurvuur. De verliezen zijn meteen hoog. De soldaten die het verst vooruit zijn, hebben de grootste moeite om de prikkeldraadbarrière te passeren. Veel soldaten blijven vastzitten en worden doodgeschoten. Slechts een klein deel van de aanvallende eenheden lukt het om stukken van de eerste Duitse linie in te nemen door met handgranaten te vechten. De Australiërs keren de loopgraaf. Het geringe aantal mannen en munitie stopt de vervolging van de aanval naar de tweede linie. De aanvallers ondergaan een intens artillerievuur en zijn blootgesteld aan een Duitse tegenaanval. Kleine groepen die toch naar voren trekken, worden vernietigd. De tegenaanval wordt gelanceerd door de soldaten van de 27e Würtemburgse divisie die ongedeerd uit de diepe schuilbunkers van de tweede linie komen. De terugtocht van de Australiërs is tragisch: ze moeten terug door het met de lijken van hun kameraden bezaaide niemandsland onder constant mitrailleurvuur. Degenen die in de Duitse loopgraven achtergebleven zijn, worden krijgsgevangen genomen. Slechts een zeer kleine minderheid van de Australiërs komt terug bij af na een gevecht dat acht uur geduurd heeft. In de loop van de middag wordt een stilzwijgende wapenstilstand ingelast om de gewonden en een deel van de doden op te halen.

’s Avonds is de balans dramatisch: de 4e Australische brigade is 2.229 man kwijt van de 3.000. De Australiërs hebben 1.170 krijgsgevangenen. Geen enkel bataljon is nog in staat te vechten.

De Duitsers trekken profijt uit de tegenslag van de Australiërs en beginnen op 15 april een offensief bij Quéant. Ze nemen een deel van de eerste Australische linies bij Lagnicourt in maar moeten terugkeren. Aan beide kanten zijn veel slachtoffers gevallen.

De Fransen vragen na het totale fiasco van het offensief van Nivelle op de Chemin des Dames aan de geallieerden om de aanvallen bij Arras weer op te pikken, ondanks de gestaakte opmars. De Australiërs uit het 1e ANZAC-korps en de 62e Britse divisie proberen weer een aanval bij Bullecourt. De Tweede Slag bij Bullecourt – een puur chronologische kwalificatie – begint op 3 mei om 3.45 uur. Acht aanvalsgolven volgen elkaar op, dit keer achter een vuurlinie van de artillerie. De Australiërs passeren de gedeeltelijk verwoeste prikkeldraadbarrières waar ze de lijken van sommige kameraden, die er een maand eerder gesneuveld waren, nog aantreffen. De door mitrailleurvuur gesnoeide 5e brigade trekt zich terug nog voor ze het prikkeldraad bereiken, wat het einde van de aanvalsgolven inluidt. Enkele jonge officieren van het opperbevel proberen de mannen weer op gang te krijgen, maar na een dag hard ploeteren blijven de resultaten mager en deze tweede slag bij Bullecourt blijkt een trieste herhaling van de eerste. Alleen de overlevenden van de 6e brigade hebben de 400 meter van het Duitse front weten te overbruggen en halen de tweede linie. ’s Nachts krijgen ze versterking. In de daaropvolgende dagen versterken de Australiërs hun stelling en graven een verbindingsloopgraaf voor een veilige verbinding met hun linies en om de aanvoer van bevoorrading en afvoer van gewonden te waarborgen. Ondanks een Duitse tegenaanval op 6 mei lukt het de 7e Britse divisie om op 7 mei een deel van de ruïnes van Bullecourt in te nemen en de verbinding met het Australische bruggenhoofd wordt gelegd. In de daaropvolgende dagen worden de Britten en Australiërs overrompeld door permanent artillerievuur. De Duitsers vallen op sommige plaatsen aan met vuurwerpers. Een aantal dagen lang wordt er nog sporadisch gevochten en op 15 mei dooft de veldslag uit.

De Tweede Slag bij Bullecourt voegt 7.000 extra verliezen toe aan Australische zijde voor een mager resultaat: de inname van een minuscuul stukje van de Hindenburglinie. De Australische troepen zijn uitgeput en beginnen argwaan te krijgen voor de Britse bevelhebbers. Desondanks worden ze tussen juli en november ingezet in het bloedbad van de Derde Slag bij Ieper, ontketend door Sir Douglas Haig. Na de overplaatsing van de Australische troepen blijven de Britten in Bullecourt en verliezen het dorp in maart 1918. Bullecourt wordt uiteindelijk in september bevrijd. Bullecourt, samen met een paar andere dorpen ten noorden van de Somme, vormt de basis van de Australische natie.

Luitenant Wilfred Barrow, vrijwillig in dienst getreden Australische onderwijzer, getrouwd en vader van vier kinderen, komt op 12 mei om in Bullecourt. Hij verdwijnt letterlijk in het niets door een ontploffende granaat. Kort daarvoor schreef hij aan zijn vrouw: “Ik hoop dat de oorlog gauw eindigt want hij vernietigt de allerbeste mensen en alles wat maar mooi en beschaafd is in het leven”.

Yves Le Maner
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais