De Chinese arbeiders in de Nord - Pas-de-Calais tijdens de Eerste Wereldoorlog

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Vanaf september 1914 loopt de oorlog vast in een positieoorlog en verandert het front in een eindeloos netwerk van loopgraven. De regeringen en legerleidingen van de oorlogsvoerende landen beseffen dat de oorlog lang gaat duren met een indrukwekkend kostenplaatje. Om de oorlog in de achterhoede te ondersteunen, doet elke natie beroep op buitenlandse arbeidskrachten die de soldaten ontlasten van hun logistieke en materiële werkzaamheden. Het Britse leger richt hiertoe uit vrijwillige burgers bestaande Labour Corps (arbeidseenheden) op. In 1918 tellen deze eenheden tot 100.000 Egyptenaren, 21.000 Indiërs en 20.000 Zuid-Afrikaners. Ze worden ingezet op de fronten in Frankrijk en het Midden-Oosten. Daarnaast worden op grond van bilaterale overeenkomsten van de volksrepubliek China met Frankrijk en met het Verenigd Koninkrijk in mei 1916 Chinese boeren op Frans grondgebied ingezet. Ze komen voornamelijk uit de provincies Shandong en Jilin en staan onder het gezag van de afzonderlijke geallieerde legers. Frankrijk doet tevens een beroep op landarbeiders uit Indochina, Franse kolonie sinds 1885.

De boeren waren in China gewend aan een hard leven, maar hun levens- en werkomstandigheden in Europa neigen meer naar pure uitbuiting. De Engelsen keren 6 dagen per week een dagsalaris uit van 1 frank voor een werkdag van 10 uur. Ondanks hun status als burgers vallen ze onder de Engelse militaire wetgeving en worden ze ondergebracht in kampen onder de nauwlettende, argwanende bewaking van Britse soldaten. De communicatie tussen arbeiders en soldaten is vrijwel onmogelijk: het dialect van de Chinese boeren wijkt sterk af van het officiële Mandarijnenchinees.

In het begin wekken de Chinezen de nieuwsgierigheid van de plaatselijke bevolking. Maar deze nieuwsgierigheid maakt al snel plaats voor wantrouwen en vrees vanwege de vele kruimeldiefstallen die ze begaan in de dorpen rond het kamp. Talloze politierapporten, met name in de Audomarois, maken melding van diefstal en door deze arbeiders uitgelokte vecht- of schietpartijen. Daarnaast leggen de Britten hen boetes of gevangenisstraffen op voor herhaaldelijk en ongerechtvaardigd verzuim, diefstal, desertie of gewelddaden tegen hun meerdere, gebaseerd op voor de Chinezen volslagen onbegrijpelijke regels. Een vorm van vreemdelingenhaat steekt de kop op in de regio en spoort de prefect van de Pas-de-Calais in september 1919 aan tot het verzoek het departement te ‘bevrijden’ van deze arbeiders die de bevolking ‘terroriseren’.

Maar dit alles mag de belangrijke bijdrage niet verhullen die de Chinese arbeiders geleverd hebben aan de oorlogseconomie, zowel op het front als in de achterhoede. In 1918 telt de regio Nord – Pas-de-Calais 17 kampen die zo’n 96.000 man verzamelen. De grootste kampen liggen bij Boulogne-sur-Mer, Wimereux en Etaples, waar de Chinezen de Britse schepen lossen. Het Franse leger stelt ze te werk in de havens van Calais en Duinkerken. Ze worden ook ingezet in de wapen- en munitie-industrie, op scheepswerven en in de machine- en vliegtuigbouw. Ze werken aan de aanleg en het herstel van wegen en spoorwegen naar de fronten in de Artois en de Somme. Onder toezicht van het Britse leger werken ze eveneens in de bosbouw in de Audomarois en in de steenkoolmijnen van de mijnstreek. Op het front graven en verhogen ze de loopgraven.

In maart 1919 zijn er nog zo’n 80.000 Chinezen in Frankrijk en België aanwezig. Ze werken mee aan de wederopbouw van de door de oorlog verwoeste gebieden. Ze ruimen de slagvelden en bergen onontplofte munitie. Ze worden ook ingezet voor het opgraven van gesneuvelde soldaten en hen vervolgens te begraven in nieuw aangelegde militaire begraafplaatsen. Ze vertrekken geleidelijk aan naar China en in 1921 zijn er nog maar 3.000 Chinese arbeiders in Frankrijk die hoofdzakelijk werken in fabrieken in de Parijse voorsteden. Deze Chinezen stichten de eerste Chinese wijk in Parijs.

Tussen 1916 en 1919 sterven naar schatting 7.900 boerenarbeiders uit China en Indochina door ziekte, uitputting of Duits geschut. Hun lichamen rusten tegenwoordig op de militaire begraafplaatsen van de door hen gediende legers.


Bronnen:
-    Serge THOMAS, Les travailleurs chinois dans le Pas-de-Calais pendant la Première Guerre Mondiale, revue Gauheria nr. 55
-    The Chinese Labour Corps at the Western Front, rapport van de Commonwealth War Graves Commission

Edouard ROOSE

harmangels.com