Het front in Vlaanderen en de Artois

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Het ‘vergeten front’ (tussen Armentières en Givenchy-lès-La Bassée)


Dit stuk van het front, tussen de belangrijke zones bij de lus van Ieper in het noorden en Arras in het zuiden, gehouden door de Britten, wordt beschouwd als een ‘vergeten front’. Vóór het Duitse offensief in voorjaar 1918 gebeurt er niets bijzonders, behalve af en toe wat aanvallen op kleine zones die volkomen nutteloos zijn en veel slachtoffers eisen in 1915 (maart: Neuve-Capelle, mei-juni: Aubers, mei: Festubert) en in 1916 (Aubers en Fromelles).

De topografische en geologische omstandigheden komen overeen met het Vlaamse landschap. De vlakke topografie en leemachtige bodem, gepaard met een verstoorde afwatering door de bouw van het loopgravennetwerk, liggen ten grondslag aan de uitzonderlijk barre levensomstandigheden van de soldaten: constante vochtigheid, plakkerige modder, moeilijkheden bij het aanleggen van ondergrondse schuilkelders. In sommige zones zoals bij Aubers kunnen geen loopgraven gegraven worden vanwege de moerassige bodem. De enige bescherming kan gegeven worden door muren van opgestapelde zandzakken en hout.

Het Britse opperbevel zet een grote hoeveelheid overzeese eenheden in op dit front: Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Canadezen en Indiërs. Het Portugese Expeditieleger vocht ook op dit front en werd tijdens het Duitse voorjaarsoffensief in 1918 in de pan gehakt.

De uitzonderlijk barre weersomstandigheden in de winter van 1914-1915 als de loopgraven nog amper ingericht zijn, verklaren de korte momenten van verbroedering tussen Britten en Duitsers in het gebied rond Armentières, zoals tijdens de wapenstilstand van Kerstmis 1914.

Vanaf voorjaar 1915 bouwen de oorlogvoerders in groeiend tempo prikkeldraadbarrières en loopgraven. Elke hoger gelegen zone wordt een vesting, zoals de stelling van de Duitsers bij Aubers. In 1917 ontwikkelen beide legers steeds sterkere betonnen bunkers. De Duitsers willen hoofdzakelijk de stad Lille - op zo’n 15 kilometer van het front - beschermen. Ze gebruiken dwangarbeiders om de versterkingswerkzaamheden te versnellen. Ze maken gebruik van in de bezette zone geproduceerde elektriciteit om de pompen aan te drijven die de hoofdloopgraven droog houden.

Op dit front wordt vanaf 1915 een heftige landmijnenoorlog gevoerd, verklaard door het uiterst smalle niemandsland (200 à 300 meter breed) dat dergelijke operaties in de hand werkt.

De Britse aanval op Neuve-Chapelle van 10 tot 12 maart 1915 is het eerste zelfstandig ondernomen offensief van de Britten sinds het begin van de oorlog. De aanval loopt stuk na een succesvol artillerievuur (eerste keer aan Britse zijde).

De aanval op de heuvelrug van Aubers van de Britten van 9 mei tot 19 juni 1915 heeft een link met het grote offensief van het Franse leger tussen Arras en Lens om de zone Lorette-Vimy te veroveren. Na een betekenisvolle doorbraak op de eerste dag, dankzij hevig artillerievuur, worden de Fransen staand gehouden. De bloedige maar nutteloze gevechten die hierop volgen, duren langer dan een maand en kosten enorm veel mensenlevens. De Britten lijden grote verliezen op de eerste dag van het offensief. Een tweede aanval op Festubert begint op 15 mei. Na een belangrijke doorbraak op de eerste dag verliest de aanval snel zijn kracht. Na twaalf dagen wordt de aanval onderbroken vanwege de zware verliezen. Uit deze bloedige mislukkingen is een les te trekken: de kracht van het voorbereidende artillerievuur is een voorwaarde voor het slagen van een aanval… Bovendien spelen de offensieven zich voortaan af op bredere fronten.

De aanval op Fromelles op 19 en 20 juli 1916 mikt op de uitstekend versterkte Duitse linies waar de mitrailleur- en kanonposten beschermd worden door bunkers. De aanval start als het Britse offensief bij de Somme al drie weken aan de gang is. De voorbereidende bombardementen krijgen de Duitse bunkers niet kapot. De Australische en Britse troepen worden gemaaid door mitrailleurvuur als ze het niemandsland betreden. Een bloedige mislukking.

De slagvelden op de vlakte van Gohelle

De kalkplateaus van Lorette en Vimy vormen een formidabele militaire barrière op het noord-zuid front tussen Ieper en Arras. Het contrast is enorm tussen de vochtige leemvlaktes in Vlaanderen en de droge kalkbodem van Gohelle en de Artois. In oktober 1914 bezetten de Duitsers Lens, de hoogtes rond de mijnstreek en de hogere punten tussen Arras en Cambrai, maar ze krijgen geen vat op Arras. De stad staat de hele oorlog lang bloot aan de Duitse artillerie.

In december 1914 en maart/april 1915 ontketent generaal Foch, commandant van de groep legers in het departement Nord, aanvallen op een beperkt stuk front om voet te zetten op de rand van de heuvelrug van Lorette. De Duitsers werken op hun beurt tijdens de winter van 1914-1915 met man en macht aan de bouw van omvangrijke loopgravennetwerken en ondergrondse schuilkelders. In het vervolg staan de geallieerden tegenover een ononderbroken verdedigingslinie.

Het offensief van Foch staat bekend als de tweede Slag om de Artois en duurt van 9 mei tot 19 juni 1915. De gevechten spelen zich af in de lage zones die door de Duitsers onder water gezet zijn. Dit maakt de bodem rul en remt de opmars van de aanvaller. De resultaten zijn mager (een gemiddelde voortgang van 3 kilometer) maar van symbolisch belang door de inname van de punt van Lorette. De verliezen zijn aanzienlijk.

De Slag bij Loos in september/oktober 1915 is het gevolg van de Franse druk op de Britten om een nieuwe aanval te ontketenen ten zuiden van Ieper, ondanks het bloedige falen bij Aubers en Festubert. Tegelijk met het grote Franse offensief dat in de Champagnestreek gepland is, wordt een derde Slag om de Artois voorbereid: de Fransen moeten Vimy aanvallen, de Britten trekken verder naar Gohelle bij het dorp Loos. De Franse offensieven in de Champagnestreek en de Artois lopen vast met zware verliezen. Toch zijn de Duitsers verdreven van de heuvelrug van Lorette en hebben de Fransen stelling genomen op de rand van de heuvelrug van Vimy.

Het gebrek aan granaten verklaart de matige kracht van de voorbereidende bombardementen van de Britse artillerie in Gohelle. Generaal Haig, hoofd van de Britse strijdkrachten, denkt dat het gebruik van oorlogsgassen de zwakte van de klassieke artillerie kan opheffen. De Britten hebben nooit eerder gebruik gemaakt van dit wapen. De eerste Duitse aanval met gifgassen vond plaats bij Ieper, op 22 april 1915. Haig laat 5.500 flessen chloorgas aanvoeren bij Loos. Na vijf dagen van voorbereidende bombardementen wordt op 25 september 1915 om 5.50 uur ’s ochtends het sein gegeven voor de gasaanval. De wind krijgt echter vat op de gifwolk en jaagt een deel terug naar de Britse linies. In die dagen waren gasmaskers nog zeer primitief en inefficiënt, ze boden nauwelijks bescherming. De infanterie trekt 40 minuten later ten aanval. Na een eerste geslaagde doorbraak richting Duitse linies leidt een slechte coördinatie tot falen. De Duitsers ondernemen de volgende dag een tegenaanval. De Britse aanval is mislukt, evenals het Franse offensief meer naar het zuiden. De verliezen zijn enorm: 48.000 slachtoffers bij de Britten en bijna evenveel bij de Fransen in Vimy. De Duitsers maakten gebruik van een grondige verdedigingstactiek met voorbereide bufferlinies. Vanaf dat moment wordt deze methode toegepast op het hele westfront.

Vanaf zomer 1915 lossen de Britten de Fransen af tussen de Somme en La Bassée. Tot de Britse offensieven in het voorjaar van 1917 blijft het rustig in Gohelle en rond Arras. Er wordt echter wel een onafgebroken, heftige landmijnenoorlog gevoerd op het uiterst smalle niemandsland; vooral in de buurt van Cuinchy-Cambrin. In deze krijthoudende streek is het grootste deel van de eerste linies toegankelijk via tunnels, om vallende granaten te ontlopen. De tunnels zijn vaak zeer lang, met elektrische verlichting en soms met een watervoorziening.

Er bestaan twee litteraire getuigenissen van uitmuntende kwaliteit over het front van Gohelle aan Britse zijde: van de dichter Robert Graves (bij Cuinchy, zomer 1915) in Goodbye To All That en Edmund Blunden (bij Cuinchy en Givenchy) in Undertone of War.

De Duitsers hebben een heuveltje op het grondgebied van Auchy-les-Mines omgebouwd tot een geducht fort, de ‘Hohenzollernschans’. Voor het bouwwerk is het niemandsland slechts enkele meters breed, wat de intensiteit van de landmijnenoorlog verklaart en de hevige mortierbombardementen, zo kenmerkend voor deze zone. Op 13 oktober 1915 proberen de Britten met gebruik van gassen de schans in te nemen, maar falen helaas en tellen veel slachtoffers (3.500 man).

De steenkoolmijnen in de geallieerde zone blijven doordraaien ondanks de nabijheid van het front. De mijnen in handen van de Duitser zijn snel ontdaan van hun metalen elementen en machines. Alles wordt naar Duitsland gestuurd.

Vanaf april 1917 ligt Lens in de gevechtszone. De Duitsers blazen meerdere stadswijken op voor een vrij schietbereik. De stad wordt geleidelijk aan verwoest door de hevige bombardementen van de Britse artillerie. Achter de stad hebben de Duitsers een machtige versterkte linie gebouwd, de Siegfried Stellung (bij de geallieerden bekend onder de naam Hindenburglinie), voorzien van talloze betonnen artilleriebunkers.

De zone Vimy-Arras

De Britten lossen het 10e Franse leger af in de zones van Vimy en Arras in maart 1916. De Duitsers hebben zich in september 1914 even in de stad laten zien alvorens zich terug te trekken op de hoogtes rond de stad en zich daar in te graven. De stad is dus een kleine lus waarop de Duitse artillerie zich botviert. Na het falen van de drie Franse pogingen in 1914-1915 (de drie Slagen om de Artois) om het Duitse front te doorbreken bij Vimy, blijft het vrij rustig in deze zone tot voorjaar 1917.

De Britse aanvallen in het voorjaar van 1917 vallen onder de grootschalige strategie van het offensief van Nivelle. Nivelle volgt maarschalk Joffre op in december 1916 als opperbevelhebber van het Franse leger. Als de Fransen massaal aanvallen op de Chemin des Dames bij de Aisne, leiden de Britten een afleidingsoffensief op een front van 39 kilometer tussen Vimy en Beaurains.

Ondertussen besluiten de Duitsers in maart 1917 tot een strategische aftocht op de Hindenburglinie, na zware verliezen in de grote slagen van 1916 (Verdun en de Somme). Deze aftocht heet ook wel de Operatie ‘Alberich’: het Duitse front vertrekt in enkele dagen 32 kilometer achterwaarts. Onderweg vernietigen ze bruggen en wegen, vergiftigen ze waterputten en laten ze duizenden landmijnen achter in de verlaten zone.

De linies in de zone rond Vimy - in handen van de Canadezen sinds herfst 1916 - zijn hoofdzakelijk toegankelijk via tunnels. In Arras graven de Nieuw-Zeelandse tunnelgravers verbindingstunnels in de onderaardse middeleeuwse steengroeven om er 13.000 mannen in onder te brengen voor een op handen zijnde aanval.

Het Britse offensief van april 1917 wordt voorafgegaan door vijf dagen voorbereidende bombardementen door 2.800 artilleriekanonnen, waarvan duizend stuks zwaar geschut. Op 9 april, een half uur voor de aanval, belagen ze de Duitse batterijen met gasbommen. Om half zes verlaten de infanteristen de ondergrondse tunnels van Arras. De eerste dag is een groot succes: de Canadezen nemen de heuvelrug van Vimy in (Vimy Ridge). De Britten bereiken het meer zuidelijk gelegen Monchy-le-Preux. Op 10 april worden voor het eerst in twee jaar cavalerie-eenheden ingezet. Monchy wordt ingenomen, maar tegen hoge verliezen door de hevige Duitse artilleriebombardementen op het dorp. Na een laatste aanval op Bullecourt op 7 mei besluit het Britse opperbevel het offensief bij Arras te stoppen vanwege het falen van het Franse offensief op de Chemin des Dames en de blokkade van de Britse voortgang naar Roeux.

De Britse offensieven rond Arras in het voorjaar van 1917 zijn strategische mislukkingen: de Britten verliezen over een periode van ongeveer twee maanden dagelijks gemiddeld 4.000 man. In het vervolg concentreren ze zich op het gebied rond Ieper.

Gommecourt en de Slag bij de Somme

De Britse 46e en 56e divisies beginnen, tegelijk met het offensief bij de Somme, op 1 juli 1916 een afleidingsaanval op de lus rond het dorp Gommecourt in de Pas-de-Calais. De aanval op Gommecourt wordt tenietgedaan door de sterke Duitse verdediging, met name door de dichte prikkeldraadbarrières: in één dag vallen er 7.000 slachtoffers en is er geen centimeter terrein gewonnen.1 juli 1916 is een van de donkerste dagen in de Britse geschiedenis: in één dag telt het Britse leger 21.000 doden, 35.000 gewonden en 600 krijgsgevangenen zonder enige vooruitgang te boeken.

 
Yves Le Maner,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais