Het front, de loopgraven, de offensieven

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Vier jaren lang woedt in de Artois (de omgeving van Arras) en in Vlaanderen een positieoorlog: de loopgravenoorlog. De opperbevelhebbers van beide kampen zijn snel genoodzaakt hun strategie aan te passen aan een strikt defensieve oorlog die veel mankracht en materieel vereist, met af en toe een aanval op de tegenpartij.

Geschiedenisboeken leggen vaak de nadruk op de slachtingen die de grote offensieven tussen 1915 en 1917 op het front in de Artois veroorzaakten. Het dagelijks leven in de loopgraven moet echter niet over het hoofd worden gezien. Er werd niet constant gevochten. Het leven in de eerste linies was voor de soldaten uit beide kampen een zware beproeving. De constante dreiging van de artillerie aan de horizon. Af en toe eens een gerichte aanval, meestal ’s nachts, om de verdediging van de tegenpartij te peilen. Zelfs in zones die de soldaten als ‘rustig’ bestempelen, sterven dagelijks mannen, voornamelijk door granaatscherven.

De legers lossen de troepen regelmatig af om de psychische en fysieke druk op de vechtende soldaten zo laag mogelijk te houden: de infanterist wisselt zijn periodes aan het front af met korte rustperiodes in de achterhoede waar hij getraind wordt en soms van wat vrijheid geniet.

De soldaten hebben dagelijkse verplichtingen in de loopgraven als er niet gevochten wordt: aanvoer van proviand (drinkwater, levensmiddelen), munitie, hout en bouwmaterialen om de linies te onderhouden. De achterhoedelinies staan in verbinding met het front via modderige, bochtige verbindingsloopgraven. Het meeste verkeer geschiedt ’s nachts. De nacht is ook het moment om op verkenning uit te gaan en voor handgevechten die als hoofddoel hebben krijgsgevangenen te nemen die nuttige inlichtingen zouden kunnen verschaffen.

Het dagelijks leven van de strijders wordt gekenmerkt door fysiek en moreel leed. Als gevolg van de vernietigende aard van de moderne wapens, met name elke vorm van artillerie, zijn verwondingen door granaatscherven aan de orde van de dag. De soldaten lijden aan uiteenlopende kwalen (voornamelijk met betrekking op de luchtwegen) die direct voortvloeien uit de erbarmelijke levensomstandigheden in de loopgraven en aan specifieke aandoeningen die voortkomen uit de nieuwe oorlogvoering. Een pijnlijk en na de winter van 1914-1915 veelvoorkomend euvel is de ‘loopgravenvoet’: afsterving van de voet als gevolg van het lange staan in modderig water in de loopgraven. Ook psychologische trauma’s, meestal in verband met de alomtegenwoordige dood en gevaren. Het verlies van een kameraad, het zien van en ongewenst ‘samenleven’ met anonieme lijken… Talloze door artillerie verminkte lichamen worden in en rond de loopgraven achtergelaten: begraven kan bekocht worden met de dood. In alle getuigenissen van Franse soldaten komt de afschuwelijke herinnering aan de stank van ontbindende lijken aan de orde. De bombardementen veroorzaken nog een ander trauma: soldaten ondergaan ze zonder wezenlijke mogelijkheid om zich efficiënt te verschuilen. Alle vechtende soldaten ontwikkelden een scherp gehoor voor het kaliber en het trefpunt van bommen en granaten. Het volkomen onzekere wachten veroorzaakt stressproblemen die de Brits artsen vanaf 1815 betitelen als ‘shell shock’. Een trauma met gevolgen op lange termijn die variëren van slaapproblemen tot ernstige psychosomatische aandoeningen.

Vanaf voorjaar 1915 worden alle offensieven voorafgegaan door zwaar artillerievuur met als doel het vernietigen van de eerste linies en de verbindingslinies. Tijdens de Franse aanval in de Artois in mei 1915 worden op de dag van 9 mei meer dan duizend stuks geschut gebruikt en 30.000 granaten afgeschoten. De verhoudingen liggen op een totaal andere schaal tijdens de Canadese aanval in hetzelfde gebied in april 1917: 983 kanonnen vuren meer dan één miljoen granaten af op de Duitse linies.

De voorbereiding op een offensief vergt op grote schaal een enorme hoeveelheid mankracht (reservetroepen, verzorgingspersoneel voor gewonden) en materieel (levensmiddelen, munitie). Op het moment dat de aanval begint, vertrekt iedere soldaat met zijn eigen rantsoen voor één of meerdere dagen. In mei 1915 verlaten de infanteristen van de Alpendivisie van generaal Barbot de loopgraven met in hun heuptas ‘… rantsoen voor twee dagen, aangevuld met chocolade, sardines en kaas’ en trekken ten aanval. De aanvoer van drinkwater in de eerste linies is fundamenteel voor de troepen op het front. De drinkwatervoorraad wordt opgeslagen in reservoirs en tonnen achter de loopgraven.

De aanvoer van munitie is een ingewikkelde zaak. Aanzienlijke hoeveelheden granaten en kogels moeten vanuit de achterhoede naar het depot bij de tweede linie vervoerd worden. Dit vervoer gaat per trein, vervolgens via de weg in paarden- of vrachtwagenkonvooien om uiteindelijk op spierkracht bij de loopgraven te belanden. Geleidelijk aan moderniseren beide oorlogvoerders het laatste traject door smalle spoorlijnen aan te leggen zo dicht mogelijk bij het front.

Een ander groot probleem is het vervoer van de reservetroepen naar het front. Door slechte voorbereidingen kon de Franse doorbraak bij Souchez en Vimy in mei 1915 niet uitgebuit worden. Een snelle afvoer van gewonden blijkt ook onontbeerlijk. Een getroffen soldaat op de eerste linie wordt opgevangen door de ziekendragers en verplegers van zijn eenheid. Vervolgens belandt hij in de regimentshulppost (Regimental Aid Post) op het front. Hier wordt de eerste hulp verleend, met extra aandacht voor het stoppen van bloedingen. De gewonden vertrekken vervolgens naar veldhospitalen voor urgente chirurgische ingrepen. Hier wordt ook de ernst van de verwondingen vastgesteld. De gewonden die dit allemaal overleefd hebben, gaan uiteindelijk per trein of vrachtwagen naar militaire hospitalen. Die van de geallieerden liggen langs de kust, de Duitsers hebben hun voorzieningen in de bezette steden in de Nord. In 1915 ontbreekt het duidelijk aan enige vorm van organisatie. In 1917 hebben de Britten hun organisatie betekenisvol verbeterd. In deze periode doen de oorlogvoerders een beroep op krijgsgevangenen – over het algemeen zeer correct behandeld vanwege de oorlogswetten – om de ziekendragers te helpen.

Yves Le Maner,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais