De loopgraven

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

In december 1914 begint wat schrijver en historicus Pierre Miquel betitelt als ‘de winter van de mannen’, in opvolging van ‘het voorjaar van de generaals’: een lange winter in de uitputtings- en positieoorlog met de loopgraven als decor. Het front ontwikkelt zich als een ononderbroken linie van ingegraven verdedigingswerken en loopgraven, onderling in contact door verbindingsloopgraven.

De Duitsers installeren zich al vrij snel in loopgraven om het overwonnen terrein te behouden. De eerste loopgraven worden aangelegd op de Chemin des Dames. De Duitsers gebruiken het reliëf door zich op de hogere punten te concentreren die hen ideale natuurlijke uitkijkposten verschaffen. Strategisch gezien leggen de loopgraven meer overwicht op de artillerie dan de aanval.

De Duitse linies in Monchy-au-Bois, ten zuiden van Arras, gezien door Ernst Jünger in zijn boek ‘In Stahlgewittern’: ‘De stelling lag in een nauwe halve boog om het dorp, verbonden door een reeks verbindingsloopgraven, en was verdeeld in twee stukken: Monchy-Zuid en Monchy-Noord. Beide helften bestonden elk uit zes afdelingen van A tot F… Om in de loopgraaf van de eerste linie te komen, moesten we door een van de vele verbindingsloopgraven die dekking gaven tot aan de gevechtslinie. Deze loopgraven van soms kilometers lang leidden naar de tegenpartij. Om buiten schot te blijven, waren ze in zigzag of lichte boog aangelegd. Na een kwartier kromlopen, belandden we in de tweede linie die parallel liep met de eerste en dienst deed als reservelinie indien de eerste in handen van de tegenpartij viel.

Jacques Meyer, strijdend onderwijzer, beschrijft de Franse linies : ‘De Fransen groeven eerst individuele mangaten, min of meer onderling verbonden. Ze beginnen tegenover de Duitse bunkers aan de bouw van dieptestellingen met parallellen en zigzaglijnen zodat twee loopgraven niet door hetzelfde bombardement getroffen kunnen worden. De bodemsoort is uiterst belangrijk. Als de bodem zich niet leent voor diepe geulen wordt de wand aan de kant van de vijand voorzien van een banket. Op vochtig terrein worden de wanden versterkt met latwerk en rijshout. Het bovenste deel van de borstwering wordt versterkt met zandzakken. Prikkeldraadbarrières en Friese ruiters verzekeren de onmiddellijke bescherming van de loopgraven. Het niemandsland, de ruimte tussen de twee frontlinies, is vrij smal: hoogstens een kilometer op de vlaktes. Achter de eerste linie is een tweede en soms derde linie gegraven.

De soldaat beschikte in het begin over een eenpersoonsabri dat de bijnaam ‘hondenhok’ droeg. Later worden deze schuilplaatsen dieper en met de rug naar de vijand gekeerd om kogelinslag te vermijden. In de reserveposities worden het echte schuilkelders, te bereiken via een trap. De loopgraven van de geallieerden halen het qua kwaliteit niet bij die van de Duitsers. Een Franse soldaat beschrijft in 1915 de Duitse loopgraven als volgt: ‘Ik loop alleen door Ablain-Saint-Nazaire dat vanochtend nog in Duitse handen was. O wat een prachtige, schone loopgraven! Mooi smal, goed gestut, fraaie uitkijkposten… We ontdekken diepe schuilkelders waar de tegenoverliggende troepen sliepen… terwijl bevroren beelden onze loopgraaf bewaakten.

Recente historische onderzoeken hebben een ‘loopgravensysteem’ aan het licht gebracht: loopgraven zijn niet alleen een menselijke constructie, ze bepalen ook een leefwijze en leggen een apart beheer van de dood op. Leven in een loopgraaf is overleven. De soldaat heeft talloze vijanden: granaten, bomscherven, kogels, landmijnen. Hij vreest het artillerievuur. In beide kampen hebben de mannen te kampen met koude, ratten, modder. Soms is het zo erg dat ze de loopgraaf verlaten om toevlucht te zoeken op de borstwering. In deze gevallen wordt op stilzwijgende overeenstemming niet op de mannen geschoten. De titel van het boek van Pierre Chaine geeft een duidelijk beeld van het leven van een soldaat in de loopgraven: ‘Herinneringen van een rat’…


Didier Paris,
docent in geschiedenis