De drie zones : het front, de bezette zone, de niet-bezette zone

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Als het front eind oktober 1914 stabiel wordt en de oorlogvoerders beseffen dat de oorlog zeer lang zal duren, bestaan Frankrijk en België uit drie zones:

De oorlogszone (het ‘front’)

Van eind 1914 tot voorjaar 1918 strekt een ononderbroken loopgravenlinie van 700 kilometer lang zich uit van de Belgische kust (Noordzee) tot aan Zwitserland. Deze oorlogszone blijft min of meer stabiel totdat tegen het eind van de oorlog de bewegingsoorlog weer op gang komt.

Het front is onderworpen aan de artillerie en beslaat niet meer dan vijftien kilometer aan elke kant van het niemandsland. In sommige streken is meer oorlogsactiviteit dan in andere al naargelang de verschillende offensieven. Vanaf eind 1914 zijn deze gevechtszones vrij van burgerbevolking en ze grotendeels kaalgeslagen of verwoest.

De bezette zone

Vanaf het begin van de oorlog stellen de Duitsers de Berlijnse tijd in: twee uur later dan de Franse tijd. Hun beleid is meteen gebaseerd op overheersing en angst. Een van de belangrijkste punten op hun programma is de vordering van arbeidskracht en het agrarische en industriële potentieel ten gunste van de Duitse oorlogvoering in de bezette gebieden, maar ook in Duitsland zelf. Ofwel, de Duitsers beheersen vanaf oktober 1914 de mijnstreek en de staal- en textielindustrie in het departement Nord dat - samen met het bekken van Parijs - de belangrijkste industriële regio van Frankrijk is. Een groot deel van de machines uit de modernere fabrieken wordt gedemonteerd en naar Duitsland overgebracht. De rest wordt gebruikt op grond van het vorderingsrecht. Het boerenland ondergaat hetzelfde lot.

Veestapels worden gevorderd: paarden blijven belangrijke transportmiddelen in de achterhoede, zelfs in een ‘moderne’ oorlog als de Eerste Wereldoorlog. De rest dient als proviand voor het leger. De agrarische wereld in de bezette zone lijdt zwaar onder deze vorderingen van arbeidskracht en vee. Het gewicht van de productie leunt voortaan op de schouders van de oudere bevolkingslagen, vrouwen en kinderen. Bovendien is een groot deel van de levensmiddelenproductie bestemd voor plaatselijk gebruik in het leger of voor uitvoer naar Duitsland.

Ondanks de oorlogswetten dwingen de Duitsers hardnekkig mannen, vrouwen en jongeren (meisjes en jongens) tot het repareren van wegen en vaak ook het onderhouden van de loopgraven.

De Duitse druk op de bezette gebieden neemt sterk toe in de tweede fase van de oorlog als de effecten van de geallieerde scheepsblokkade voelbaar worden. Vanaf dat moment wordt alles geplunderd wat maar bruikbaar kan zijn: voedsel, leer, hout, metaal, meubels… Uit vrees dat jongeren en jonge mannen ‘overlopen’ naar de ‘tegenpartij’, zetten de Duitsers ze onder strenge bewaking in speciale troepen voor dwangarbeiders die door de plaatselijke bevolking de ‘rode banden’ worden genoemd vanwege hun verplichte rode armband. Bovendien komt vooral vanaf 1916 de deportatie van Belgische en Franse dwangarbeiders naar andere regio’s, met name de Ardennen, goed op gang. De Duitse plunderingen en de verzwakking van de arbeidskracht hebben dramatische gevolgen voor de autochtone bevolking in de bezette zone: schaarste en ondervoeding nemen steeds sterker toe in de loop van de oorlog.

De niet-bezette zone

De inwoners uit de dorpen en steden aan het front staan vaak bloot aan vijandelijk artillerievuur en vluchten of evacueren. Ze vertrekken naar veilige zones in regio’s die zich intussen voorbereiden op de komst van de Franse soldaten en hun Britse bondgenoten. De massale aanwezigheid van troepen is een bron van inkomsten voor de autochtone bevolking die voorziet in voedsel en vermaak.

De intendances van de Franse en Britse legers houden zorgvuldig een goede proviandering in de gaten ten gunste van de strijdende troepen en zetten een grootschalige teelt van varkens en kippen op touw. De Britten leggen rond het enorme kamp van Etaples bevoorradingseenheden aan van ongekend grote omvang.

Na het einde van de oorlog in november 1918 is men van overheidswege overtuigd dat het grootste deel van de oorlogszone zodanig verpest is dat herstel onmogelijk is. Dit gebied wordt bestempeld als de ‘rode zone’. Deze overheidsambtenaren en journalisten vergissen zich en zien de diepgewortelde verknochtheid die de Belgische en Franse boeren voor hun land hebben royaal over het hoofd. De grond moet gezuiverd worden van niet ontplofte bommen en met gifgas doordrenkte aarde, en het doolhof van loopgraven genivelleerd.

De lijken geborgen en alle andere sporen en resten van de industriële oorlogvoering uitgewist. Tussen de ruïnes in de steden en dorpen worden barakken gebouwd van ter plekke verzamelde bouwmaterialen. In tien jaar tijd, na grote inspanning in combinatie met overheidstoelagen, worden de landbouwactiviteiten hervat, zijn dorpen opgebouwd en is het landschap hersteld.Slechts enkele duizenden militaire begraafplaatsen langs het hele front - met uitzondering van enkele bewust verwilderde zones (in de Somme en vooral rond Verdun) - herinneren nu aan de omvang van de Eerste Wereldoorlog.

Yves Le Maner,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais