Nationale kenmerken van begraafplaatsen

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Franse begraafplaatsen


De Franse wet van 29 december 1915 besluit tot de aanleg van nationale dodenakkers om de lichamen te verzamelen van de strijders die zijn ‘gestorven voor Frankrijk’, met eeuwige rustplaatsen, onderhouden door de Franse overheid. Een wet in juli 1920 staat echter toe om de lichamen terug te geven aan de families die hun doden wensen bij te zetten in familiegraven. Ongeveer 30 procent van de geïdentificeerde lichamen keert terug naar de families, ofwel 250.000 soldaten. Frankrijk telt 265 dodenakkers met 730.000 lichamen, al dan niet geïdentificeerd.

Tussen de wereldoorlogen was de Franse Staat verantwoordelijk voor de inrichting van militaire begraafplaatsen. De overheid stond onder druk van verenigingen van oud-strijders, in een geruïneerd land dat zware financiële lasten moest trotseren ten behoeve van oorlogsinvaliden, weduwen, wezen, en de wederopbouw van de verwoeste gebieden.

De Franse begraafplaatsen beantwoordden eerder aan bouweisen dan aan bouwstijl, wat de middelmatige esthetiek verklaart. Serieproductie tegen lage kosten was het belangrijkste principe. De technici van het ministerie van Pensioenen trokken de plannen vanuit zeer sobere uitgangspunten, opgesteld in een rondschrijven van 24 februari 1927, waarin het aan elk element van decor ontbreekt.

In 1928 wordt een standaardmodel aangenomen, ongeacht de ligging. De Franse driekleur is het centrale uitgangspunt dat de opoffering van de burgers ‘Gestorven voor Frankrijk’ symboliseert, zoals duidelijk wordt op de indrukwekkende begraafplaats van Neuville-Saint-Vaast. De graven zijn in rijen opgesteld, naar de methodische opstelling van een leger. De enige kleur komt van de rode rozenstruiken.

De Franse begraafplaatsen hebben vier emblemen: kruisen, mohammedaanse grafstenen (de naam van de dode wordt voorafgegaan door de woorden ‘Hier rust’), joodse grafstenen, een speciale grafsteen voor ander geloof of vrijdenkers (Frankrijk is de enige natie met een steen voor agnosten of vrijdenkers). Frankrijk bevestigt wederom zijn neutrale houding op zijn begraafplaatsen: vrijheid in geloof en gedachte. De identificatie van de dode staat op een plaat met de inscriptie ‘Mort pour la France’. Elke vorm van buitensporigheid met het doel een graf van een ander te onderscheiden is officieel verboden.

160.000 soldaten uit de Franse koloniën vochten onder de Franse vlag tijdens de Eerste Wereldoorlog, 30.000 lieten er het leven. De geïdentificeerde doden waren voornamelijk van mohammedaanse geloofsovertuiging. Zij kregen specifieke grafstenen en soms een aparte hoek van de begraafplaats toegewezen.


Britse begraafplaatsen

Tijdens de eerste weken van de oorlog worden de stoffelijke resten van omgekomen soldaten nog naar het vaderland gestuurd. Al gauw besluiten de Britten om materiële redenen hun doden ter plekke te begraven: de repatriëring bleek ingewikkeld met een hoog kostenplaatje. Anderzijds uit respect voor het principe van gelijkheid tussen geïdentificeerde en niet-geïdentificeerde doden. Na de oorlog worden, op enkele gevallen van hergroepering na, alle Britse begraafplaatsen definitief. Dit verklaart het grote aantal Britse begraafplaatsen op soms zeer korte afstand van elkaar. De keuze van de Britten is gebaseerd op het verschuldigde respect voor het lichaam van de strijder. Ze respecteren ook de tradities van sommige volken die meevochten in hun legers. Zo staan er op Neuve-Chapelle Memorial lijsten met namen van Indiase strijders die gecremeerd zijn. Talloze Britse strijders hebben een laatste rustplaats in aparte hoeken op Franse dorpsbegraafplaatsen.

De aanleg van de begraafplaatsen van het Gemenebest na de oorlog stond onder leiding van drie Britse architecten: Reginald Bloomfield, Herbert Baker, Edwin Lutyens. Talloze jonge architecten die deelnamen aan de strijd tussen 1914 en 1918 werkten onder hun wakend oog. De Britse begraafplaatsen zijn eigenlijk tuinen, een nabootsing van het verloren paradijs waar de Mens in vrede en in harmonie met de natuur leefde. De bomen, struiken, bloemen geven elk seizoen weer nieuwe kleuren en geuren.

Op de Britse begraafplaatsen zijn de graven soms willekeurig geplaatst, in verschillende richtingen. In deze gevallen is de ligging van het originele graf aangehouden op de begraafplaatsen langs het front.
Soms raken de grafstenen elkaar. In dat geval zijn de soldaten gesneuveld in dezelfde loopgraaf (bijvoorbeeld in Owl Trench Cemetery bij Hébuterne, of Mindel Trench British Cemetery bij Saint-Laurent-Blangy).

De Britten besluiten de graven van de al dan niet geïdentificeerde soldaten te voorzien van uiterst pure grafstenen. De familie van iedere geïdentificeerde soldaat wordt verzocht een religieus symbool te kiezen voor op de grafsteen: kruis, davidsster, mohammedaans symbool. Bovendien stelt de Commonwealth War Graves Commission aan iedere familie voor een epitaaf toe te voegen van niet meer dan 66 woorden. Dit voorstel is vergezeld van een verplichting die door velen als bekrompen beschouwd wordt: een financiële bijdrage van 3,5 pence per woord. Het Nieuw-Zeelandse gouvernement vindt dat geen enkele epitaaf de juiste waarde van leed en verdriet kon uitdrukken. Rudyard Kipling neemt de taak van het opstellen van ‘standaardteksten’ op zich: ‘Voor God, koning en vaderland’, ‘Het zij zo’… De persoonlijke epitafen zijn zeer uiteenlopend en gaan van banaal tot uiterst aangrijpend: ‘O waarom zijn wij dood, wij jongeren? Jullie die langslopen, vergeet het niet’.

Sir Reginald Bloomfield ontwerpt de eerste drie begraafplaatsen, waaronder die van Laventie. Fervent tuinier, ontwerper van parken en tuinen, hij is degene die aan de Britse begraafplaatsen hun landelijke, rustige sfeer geeft. Hij ontwerpt de plannen voor 120 begraafplaatsen en herdenkingsplaatsen in Frankrijk en België, waaronder de Menenpoort in Ieper. Hij is ook degene die het Opofferingskruis ontwerpt dat op elke begraafplaats met meer dan veertig graven staat. Een kruis van 4,5 à 9 meter hoog met op de voorkant het bronzen zwaard van de heilige Gerardus dat naar beneden wijst als teken van rouw. De betekenis van dit symbool is vrij complex: het militaire karakter van de plaats, de strijd tegen onrecht en kwaad, het wapen van de held en de ridder (Gerardus die de draak doodt op het herdenkingsmonument van Vis-en-Artois) die tegen wreedheid en heidendom vecht.

Sir Edwin Luytens staat met zijn staf voor 126 begraafplaatsen in Frankrijk en België. Een klassiek architect die een typisch Britse stijl nastreeft. De begraafplaatsen van zijn hand zijn gebaseerd op een integratie in het landschap (alle Britse begraafplaatsen moeten van buitenaf gezien worden) en op de samensmelting van de stenen met de beplanting. Hij werkt vaak samen met tuinontwerpster Gertrude Jekyll, die hem stuurt in de keuze van de beplanting van de randen langs de grafstenen. Deze keuze bestond uit de basisplanten van cottage gardens (rozen, kleine vaste planten met veel bloemen). Het gazon – gelijkmatig, zacht, mild groen, kort gemaaid – vervaagt de verschillen en brengt vredigheid. Luytens ontwerpt ook de Herinneringssteen (War Stone) die op begraafplaatsen met meer dan 400 graven staan. Op beide kanten staan een door Kipling gekozen zin uit het Boek Prediker (Oude Testament): Their name liveth for evermore (Hun naam leeft voor eeuwig voort).


Duitse begraafplaatsen (Soldatenfriedhöfe)

Pas in 1926 mogen de Duitsers van de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge (VDK) Frankrijk betreden om de Duitse begraafplaatsen te onderhouden. Sinds 1919 had de Franse Gravendienst echter een al behoorlijk aantal kleine begraafplaatsen bij het front doen verdwijnen en de stoffelijke resten ondergebracht in grotere dodenakkers. Op dat moment waren militaire dodenakkers nog gewone velden, zonder omheining, beplant met houten kruisen. Toch mag de VDK op zones van het front waar extreem veel slachtoffers zijn gevallen, beginnen aan de aanleg van nieuwe begraafplaatsen, waaronder de allergrootste: die van Neuville-Saint-Vaast met 36.000 graven. Het Verdrag van Versailles voorziet in het plaatsen van Duitse begraafplaatsen onder toezicht van de Franse overheid tot 1966 wat betekent dat de Fransen het laatste woord hebben elke duurzame aanleg of constructie van de VDK. De Franse overheid weigert lichamen aan de families terug te geven.

De Duitse begraafplaatsen zijn tussen de twee wereldoorlogen ontworpen door architect Robert Tischler, oud-strijder uit de Eerste Wereldoorlog. Twee belangrijke principes tekenen zijn ontwerpen: rouw en het alomvattende leven. Vanwege het geringe afgestane terrein door Frankrijk is hij genoodzaakt grote massagraven te creëren die hij de ‘Graven van de Kameraden’ noemt.

Robert Tischler let er sterk op de Duitse begraafplaatsen te laten ‘smelten’ in de omgeving door rekening te houden met de glooiingen van het terrein, zoals goed te zien in Neuville-Saint-Vaast. De beplanting groeit vrijuit, bomen worden niet gesnoeid. Deze keuze is terug te brengen op de Germaanse mythologie, gebaseerd op de overeenstemming tussen Mens en Natuur. De architectuur van deze begraafplaatsen is sober, maar laat een ruime plaats voor de bomen, die over de eeuwige rust van de soldaten waken. Vaak wordt de indruk gegeven dat de begraafplaats in een bos is aangelegd. Er zijn omheiningen van steen en smeedijzeren hekken geïnstalleerd, en vaak ook kruisen van steen. De massagraven zijn geïdentificeerd door beschreven platen en vaak ook met stenen kruisen, ditmaal in ruwere vormen. In de jaren twintig gebruikt de VDK houten kruisen met een zinken plaatje om de individuele graven te markeren, soms echter ook stenen platen op de grond. In de jaren vijftig wordt het algemene besluit genomen de kruisen rechtop te zetten om de omvang van de slachtpartij beter te constateren.

De houten kruisen worden vervangen door duurzamere materialen als aluminium, gietijzer of steen. Elk kruis en elke grafsteen draagt de achternaam, voornaam, rang, geboortedatum en sterfdatum van de soldaat. Vaak wordt verondersteld dat de donkere kleur van de Duitse kruisen door het Verdrag van Versailles is bepaald. Maar al snel is duidelijk dat niet altijd aan deze regel voldaan wordt en dat de Duitse begraafplaatsen vaak ook witte kruisen hebben. Een meer praktische verklaring zou liggen in het simpele feit dat de sombere kleur van de houten kruisen kwam van de beschermende teerlaag… Een groot deel van de vandaag zichtbare stenen of metalen kruisen dateert uit de jaren vijftig en zestig.

Zodra Hitler aan de macht kwam, werd de VDK onder voogdij gezet. De herdenking van de Eerste Wereldoorlog betekende een aanzienlijke politieke uitdaging voor het nieuwe bewind: het accent werd nu verlegd naar de heldendaden van de strijders en elke vorm van verzoening werd uitgebannen. Architect Robert Tischler toonde zijn sympathie voor het nazibewind zonder schromen. De VDK wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog ter beschikking gesteld aan de Ober Kommando der Wehrmacht en in 1941 neemt de Hitlerjugend de werkzaamheden op zich. De VDK herstelt zich snel na de chaos van 1945. Tischler hervat zijn functies, ondanks zijn naziverleden.

De Duitse begraafplaatsen die we vandaag bezoeken zijn de resultaten van structurele indelingen van de jaren twintig. Maar het belangrijkste ‘grafmeubilair’, dat wil zeggen de kruisen, dateert voornamelijk van na de Tweede Wereldoorlog. De grootste dodenakkers hebben aan het begin een ‘herinneringszaaltje’, soms voorzien van beelden of mozaïeken.

De opbouw van Europa en de Frans-Duitse verzoening vertalen zich in 1966 door een akkoord tussen de twee landen dat een einde betekent voor de toepassing van artikel 225 van het Verdrag van Versailles: voortaan is alleen de VDK verantwoordelijk voor het onderhoud van de Duitse militaire begraafplaatsen.

 

Door Yves Le Maner,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais