De teraardebestelling van soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918)

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

De oorlog van 1914 blijkt al vanaf de eerste weken in ongekende mate bloedig, te beginnen met de omvangrijke bewegingen van de legers in België en Frankrijk. Alleen al op 22 augustus 1914 vallen 27.000 doden. In de eerste vijf maanden van de oorlog, van augustus tot december 1914, telt het Duitse leger al 142.000 slachtoffers, ofwel drie keer zoveel als tijdens de oorlog van 1870-1871. Wat de Fransen betreft, zij verliezen in dezelfde periode bijna 300.000 man. Ondanks de verhalen blijkt het sterftecijfer hoger tijdens de bewegingsoorlog (zomer 1914, voorjaar/zomer 1918) dan tijdens de positieoorlog in de loopgraven, ook al zorgen de door het opperbevel ontketende offensieven in hun pogingen het front te doorbreken in enkele dagen voor gruwelijke slachtpartijen.

De beestachtige aantallen dwingen beide kampen tot het op snelle termijn nemen van legale beslissingen en organisatiemaatregelen met betrekking tot de militaire begraafplaatsen. Tijdens de eerste maanden van de oorlog kiezen de oorlogvoerders voor massagraven. Aan Franse zijde geeft generaal Joffre richtlijnen voor het aantal doden per massagraf: niet meer dan 100. Bij de Britten ligt het maximum bij zes doden, kop aan staart. De Duitsers daarentegen houden het onmiddellijk op individuele graven. Door sociale druk gaan de andere partijen al gauw over op hetzelfde systeem. In Frankrijk gaat op 29 december 1915 de wet over het individueel begraven van soldaten van kracht. Geleidelijk verzamelen tijdelijke begraafplaatsen de lichamen van een gedeelte van het slagveld, meestal ingericht in de buurt van een veldhospitaal of hulppost bij de loopgraven. Een groot aantal doden wordt ‘onbekend’ verklaard omdat ze niet geïdentificeerd kunnen worden aan de hand van hun persoonlijke bezittingen. Op gemeentelijke begraafplaatsen en kerkhoven bij het front worden militaire hoeken ingericht. De inrichting is uiterst sober. De graven worden gemerkt met een houten kruis. De Duitsers leggen soms indrukwekkende bouwwerken aan, grafmonumenten of grote kruisen van steen of beton, met als bedoeling te blijven.

Vanaf herfst 1914 is de Eerste Wereldoorlog een artillerieoorlog die voor een anonieme, onpersoonlijke dood staat. De artillerie heeft het leeuwendeel van de doden op haar naam – ongeveer tweederde – en van de verwondingen. Bovendien ploegen de kracht en de frequentie van de salvo’s het oppervlak van het slagveld om en verminken of bedelven een groot aantal lijken voordat ze begraven kunnen worden. Ernst Jünger, in zijn boek ‘In Stahlgewittern’: “Het omgewoelde slagveld was afschuwelijk. Dode verdedigers lagen naast de levende... We beseften dat ze in lagen opgestapeld waren. De compagnies die het bombardement overleefd hadden, waren gemaaid, de één na de ander. Vervolgens waren de lijken bedolven onder een laag aarde die de granaten deden opspatten. De aflossing nam de plaats van de doden in.” De ‘Poilu’ Paul Tuffrau constateert dezelfde feiten: “Modder en lijken. Ja, lijken. De oude lijken van de gevechten uit de herfst die tijdelijk in de borstwering begraven waren, komen met stukken naar boven in de afbrokkelende aarde.”

In een dergelijke chaos is het vaak onmogelijk, onnodig en gevaarlijk om zich over de doden te bekommeren. In veel gevallen worden de bij de loopgraven geïmproviseerde begraafplaatsen verwoest door artilleriebombardementen. In andere gevallen raken ze in de vergetelheid, zoals de twintig ‘Grimsby pals’ die door Alain Jacques, hoofd van de afdeling Archeologie van de Stad Arras in 2002, bij Arras teruggevonden werden. De aarde wordt het graf van honderden duizenden soldaten. Geschat wordt dat de helft van de op het westfront gesneuvelde soldaten niet teruggevonden of niet geïdentificeerd is.

Op sommige plaatsen zijn alle sporen van doden uitgewist. Het extreme geval is de door landmijnen verpulverde mannen, zoals de 53 Canadezen die herdacht worden op de begraafplaats Zivy Crater bij Vimy.

Door Yves Le Maner,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais

harmangels.com