Inhoud

De geschiedenis van militaire graven uit de oudheid tot de negentiende eeuw

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

De fundamentele kwestie die opkomt bij het bezoek aan een militaire begraafplaats van de Eerste Wereldoorlog is de reden van het verschrikkelijke offer van de Europese jeugd, veelal afkomstig uit de zogenaamd ‘beschaafde’ naties van de planeet.

De confrontatie met de uitgestrektheid van de dodenakkers, het grote aantal doden en het individuele lot van de dode soldaten dat elke grafsteen of kruis laat doorsijpelen, verstoort en roept emoties op.

Al vanaf de Grieks-Romeinse oudheid begraven de Europese beschavingen hun in de strijd gesneuvelde soldaten. Dit blijkt uit sommige tastbare voorbeelden: in 338 n.Chr. begraven, naar religieuze rituele gebruiken om de woede van de goden te voorkomen, winnaars en verliezers na de Slag bij Chaeronea – tussen de Macedonische troepen van Philippus II en het Griekse coalitieleger – hun doden. De Thebanen bouwen op de tumulus waarin de doden begraven zijn een monument met een stenen leeuw erop. De begraafplaats werd in 1880 ontdekt en 226 geraamtes opgegraven. In Athene lag in de oudheid ten noordwesten van de Akropolis een aparte begraafplaats voor voor het vaderland gesneuvelde burgers. Met name de Griekse en Romeinse beschavingen richtten lege grafmonumenten (cenotafen) op in nagedachtenis aan in den vreemde gesneuvelde soldaten. De Romeinse legioenen begroeven hun doden zorgvuldig: of individueel met grafstenen in de nabijheid van het kamp, of in massagraven na belangrijke veldslagen. Dit was bijvoorbeeld het geval in het jaar 15 n.Chr., toen Germanicus de stoffelijke resten liet begraven van de zes jaar eerder gesneuvelde legioensoldaten tijdens de Varusslag tegen de Germanen. De verering van militaire doden is nauw verbonden met het geloof in een hiernamaals.

In onrustige tijden daarentegen, waar oorlogen zowel in buiten- als binnenland woeden, zien tijdgenoten een gebrek aan respect ten opzichte van de gesneuvelde soldaten als een teken van verval van de beschaving. Dit is het geval tijdens de Dertigjarige Oorlog in de zeventiende eeuw, als de huursoldaten de lijken op de slagvelden plunderen – en gewonden de genadeslag geven – en ze overlaten aan de kraaien. In de achttiende eeuw gaat het al iets vooruit op het gebied van het begraven van in de strijd omgekomen soldaten. De grote koninklijke legers beginnen regels op te stellen over het onderwerp en baseren zich vaak op gewoontes uit de oudheid.

De oorlogen in de tijd van Napoleon vergen voor het eerst omvangrijke troepen in de grotere veldslagen. Deze periode luidt met de zorg voor elementaire hygiëne de tijd van het op grote schaal sneuvelen in. De meest voor de hand liggende oplossing is het openen van massagraven, waarin de doden uit beide kampen gegooid worden. Er worden af en toe nog van deze massagraven gevonden: in 2001 worden de lichamen van enkele honderden soldaten van het grote leger opgegraven in Vilnius, Litouwen. Hetzelfde feit herhaalde zich langs de oevers van de Berezina.

In de negentiende eeuw wordt de militaire begraafplaats aangelegd. De opbouw is nauw verbonden met de massaoorlog – met een grootschalig sterftecijfer – en de dienstplicht (sinds de Franse Revolutie) die zowel de natie als elk gezin in het bijzonder betreft. De westerse wereld kent inmiddels een belangrijke plaats toe aan ieder individu.

In juni 1859 brengt de Zwitser Henry Dunant een belangrijk keerpunt teweeg als hij het gedrag constateert van de Franse en Piemontese soldaten ten opzichte van de Oostenrijkse doden en gewonden tijdens de Slag bij Solferino. Uit deze tragische ervaring ontstaat het Rode Kruis en de wens een internationaal oorlogsrecht uit te werken die uitloopt op de Conventie van Genève (1964) en vervolgens die van Den Haag (1899). Dit is het begin van de systematisering van de oorlog.

De Amerikaanse Burgeroorlog – die tussen 1861 en 1865 de noordelijken en zuidelijken tegenover elkaar zette – is een ander belangrijk keerpunt in het ‘beheer’ van de naoorlogse periode. Ten eerste is het dodenaantal opmerkelijk hoog: 600.000 in slechts vier jaar. Dit ‘prototype’ van moderne en industriële oorlogvoering is echter niet voldoende als waarschuwing opgevat in Europa. Vervolgens werden na de Burgeroorlog gemeenschappelijke militaire begraafplaatsen ingericht, waar zowel Yankees als ‘Confederisten’ begraven werden in individuele graven als de lichamen geïdentificeerd waren. De grafstenen kregen dezelfde inscripties, ongeacht rang, afkomst of geloofsovertuiging. In die tijd werd in Washington de begraafplaats van Arlington aangelegd, waar strijders rusten uit alle oorlogen waarbij Amerikaanse soldaten betrokken waren. Deze breuk met massagraven is de consequentie van de opkomst van een op democratie gebaseerde Staat die aan ieder individu aandacht en gelijkheid schenkt.

Tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 echter krijgen de gesneuvelde officieren individuele graven en gaan de eenvoudige voetsoldaten uit beide kampen over het algemeen een massagraf in bij het slagveld. In veel gevallen liggen de stoffelijke resten van Franse en Pruisische soldaten door elkaar in de knekelhuizen. Toch worden ongeveer 37.000 individuele graven toebedeeld aan soldaten in ‘militaire hoeken’ van kerkhoven en gemeentelijke begraafplaatsen en worden er oorlogsmonumenten opgericht voor niet-gelovige soldaten.

Het Verdrag van Frankfurt uit januari 1871 voorziet in artikel 16 dat beide deelnemende naties zich verplichten tot het respecteren van militaire graven op hun grondgebied en deze te onderhouden. Deze regel neemt in de oudheid geldende principes over. De teksten beschrijven voor het eerst het begrip ‘recht op eeuwige rust’ van voor het vaderland gesneuvelde soldaten. Het is het eerste teken van belang van de nieuwe houding van de Europese naties ten opzichte van hun in de strijd omgekomen soldaten. De Franse overheid, die de zorg droeg over vrijwel alle 132.000 graven, is genoodzaakt specifieke terreinen aan te schaffen om de doden van twee naties te bergen.

Tijdens de Boerenoorlog in Zuid-Afrika (1901-1903) voert het Britse Rijk de gewoonte in zijn – vrijwillig in dienst getreden – strijders individuele graven toe te kennen. Dit model wordt in de Eerste Wereldoorlog gehandhaafd als uiting van erkenning van de natie ten opzichte van iedere soldaat. De slagvelden worden gewijde plaatsen: het is de aarde van de opoffering.



Door Yves Le Maner,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais


harmangels.com