De algemene principes voor de aanleg en inrichting van de dodenakkers

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Tijdens de Eerste Wereldoorlog doet het principe van het individueel begraven van in de strijd omgekomen soldaten zich gelden in Europa. Voorheen was dit ‘voorrecht’ alleen weggelegd voor de hogere rangen. Na de oorlog breekt de tijd van massabegraafplaatsen aan, een bijproduct van de industriële revolutie. Er komen omvangrijke bouwprogramma’s in omloop. Op Frans grondgebied liggen 2.330 begraafplaatsen uit de Eerste Wereldoorlog.

De Franse wet van 29 december 1915 geeft overleden Franse en geallieerde soldaten het recht op een eeuwige rustplaats op Franse bodem. Deze wet is later, op 28 juni 1922, uitgebreid ten gunste van ‘ex-vijanden’ (sic). In de overeenkomst van 26 november 1918 stelt Frankrijk gratis en zonder tijdslimiet terreinen voor de aanleg van militaire begraafplaatsen ter beschikking aan de Britten. De grond blijft echter Frans eigendom.

Het in 1919 ondertekende Verdrag van Versailles bevat een speciaal artikel (nr. 225), gewijd aan het wederzijdse onderhoud van de graven. Het enige artikel van het hele document waarin de overwinnaars een gebaar van verzoening maken ten opzichte van de vijand, of liever gezegd de doden van de vijand. Sindsdien dragen militaire begraafplaatsen een vredesboodschap uit van internationaal waarde.

Zodra de oorlog afgelopen is, leggen beide partijen begraafplaatsen aan in een geheel nieuwe stijl om hun doden te begraven met het vereiste respect. Voor alle grote naties zijn algemene programma’s en gemeenschappelijke essentiële elementen vast te stellen:

-    De uitzonderlijk omvangrijke schaal van de begraafplaatsen, als gevolg van een industriële oorlog.
-    Ruimtes in eenvoudige, zuivere, terugkerende vormen om vooral geen verschillen te creëren tussen de slachtoffers.
-    Het gebruik van moderne bouwmiddelen, van het industriële soort.
-    Een globale planning.
-    Een hergroepering per natie, ook al bevatten veel begraafplaatsen enkele of meerdere graven van geallieerde of Duitse soldaten.
-    Gestandaardiseerde kruisen en grafstenen. Er is onderzoek uitgevoerd naar duurzame materialen: grafzerken van kalksteen op de Britse begraafplaatsen – volgens de traditie van de protestante kerk –, kruisen van gewapend beton op de Franse begraafplaatsen, en kruisen van steen, aluminium of composietcement op de Duitse begraafplaatsen. Het hoofddoel is de begraafplaatsen een eeuwig karakter te geven.

Toch steken twee tegenstrijdige tendensen de kop op betreffende de algemene organisatie van de geografie van de dodenakkers:

-    De buitensporige rationalisering door de hergroepering in enorme regionale begraafplaatsen, met als doel de bezoeker te schokken. De Amerikanen kiezen voor deze optie, de Fransen ook. In Frankrijk worden door de invloed van maarschalk Pétain grote symbolische dodenakkers aangelegd om materiële en psychologische redenen, zoals bij Douaumont en Notre-Dame-de-Lorette. De Duitsers hadden geen keus: zij kregen maar beperkte stukken terrein toegewezen.

-    De toename van begraafplaatsen bij de gevechtszones teneinde een contact met het slagveld te respecteren, de optie van de landen van het Gemenebest.

De oorlogvoerende legers richten tijdens de oorlog bergingsdiensten op om geschikte begraafplaatsen te vinden, doden te identificeren en te begraven. Deze diensten vormen na de oorlog de basis van de met de aanleg van definitieve begraafplaatsen belaste ploegen. Veel tijdelijke begraafplaatsen zijn bewaard gebleven, andere zijn verdwenen en de graven overgebracht naar de nieuwe dodenakkers.

Toch heeft elke natie ondanks de gemeenschappelijke principes zijn eigen bouwstijl aangehouden met zijn eigen kenmerken, tradities, religieuze aspecten en politieke wensen van de respectievelijke overheden. Militaire begraafplaatsen zijn dus de vrucht van de overdenkingen van diverse specialisten (architecten, beeldhouwers, landschapsarchitecten, ingenieurs) onder toezicht van de overheid (zoals in Duitsland, waar de overheid zich schaart achter het verenigingswerk) of onder volledige verantwoordelijkheid van de overheid (zoals in Frankrijk, waar de overheid opdrachtgever is). In Groot-Brittannië zijn de overdenkingen het sterkst doorgevoerd.

Door Yves Le Maner,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais

harmangels.com