Louis-Marie Cordonnier (1854-1940): voorvechter van een streekgebonden architectuur

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Louis-Marie Cordonnier is aan het eind van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw in het noorden van Frankrijk een gerenommeerd architect. Hij geniet al bekendheid voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en speelt een belangrijke rol in de wederopbouw van diverse steden, talloze kerken en industriële gebouwen in Noord-Frankrijk.

Geboren in Haubourdin (Nord) op 7 juli 1854. Zijn vader was een beroemd architect uit de omgeving van Lille. Tijdens zijn studie aan de Beaux-Arts in Parijs wordt Louis-Marie beïnvloed door twee belangrijke figuren: Eugène Viollet-le-Duc (restaurateur middeleeuwse Franse architectuur), en Charles Garnier (architect Opéra van Parijs). Met zijn diploma op zak keert hij terug naar de Nord om bij zijn vader in dienst te treden. In 1881 haalt hij zijn eerste grote contract binnen: de bouw van het gemeentehuis van Loos. Het gebouw zelf geeft een globaal beeld van een streekgebonden architectuur die een belangrijke plaats toekent aan de Vlaamse renaissance: een belfort, puntige daken met dakvensters, het gebruik van baksteen en natuursteen. Cordonnier geeft een alternatief voor de neoklassieke stijl die de Derde Republiek zo zegevierend uitdraagt. Hij ontwerpt steeds meer prestigieuze gebouwen, zoals het stadhuis van Duinkerken (1901), onthuld door de Franse president Emile Loubet en de Russische tsaar Nicolas II. Zijn belangrijkste succes is het ontwerp van het Vredespaleis van Den Haag in 1905. Een enorm gebouw in neorenaissancestijl met twee belforten.

Inmiddels beschouwd als de grootste architect van het Noorden, krijgt hij de opdracht twee belangrijke gebouwen in Lille te ontwerpen: de kamer van koophandel, ook wel ‘Nieuwe Beurs’ genoemd en geopend in 1906, en de schouwburg, de ‘Opéra’, waarvan de bouw in 1907 begon en tijdens de Duitse bezetting afgemaakt werd.

Tijdens de vooroorlogse periode wordt Cordonnier vaste architect van de Mijnbouwmaatschappij van Lens, de grootste Franse steenkoolfirma. Hij onderhoudt nauwe contacten met invloedrijke leden van het bestuur van het bedrijf, de grote textielbazen, die dezelfde religieuze en politieke overtuigingen hebben als hij: streng katholiek en sociaal conservatief. Hij bouwt de zetel van het bedrijf aan de Rue Thiers in Lille – voor één keer een neoklassiek gebouw – en de kapel Saint-Théodore in de wijk van put 9 (1910).

Kort na de Eerste Wereldoorlog waagt Louis-Marie Cordonnier zich op 64-jarige leeftijd aan de uitdaging van de wederopbouw: een enorme collectieve inspanning met als doel de door de strijd veroorzaakte ruïnes in de Nord – Pas-de-Calais te ruimen. Hij verdedigt het belang van een streekgebonden architectuur, het enige middel dat volgens hem de gruwelen van de oorlog kan uitwissen, maar dat ook de chaotische industrialisatie en urbanisatie kan stoppen die zich sinds halverwege de negentiende eeuw ontwikkelde. Desnoods door deels mythische vormen en esthetiek te doen herleven. In zijn nieuw-Vlaamse stijl accepteert hij het gebruik van moderne materialen, zoals beton voor basisstructuren, en de mechanisatie van de bouwwerkzaamheden. Door zijn beroemdheid krijgt hij een groot deel van de werkzaamheden van de wederopbouw toegewezen, met name openbare gebouwen en kerken zoals in Armentières, Comines (Frans-Komen), Laventie en Bailleul (Belle). Hij maakt ook de lichttoren en de basiliek op de nationale dodenakker van Notre-Dame-de-Lorette. Tenslotte bouwt hij de grote gebouwen van de mijnbouwmaatschappij van Lens.

Yves LE MANER,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais

Externe links