Lille, het morele eerherstel van de provinciehoofdstad

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Lille (Rijsel) is om meerdere redenen een bijzonder geval. Op 1 augustus 1914 wordt de stad ‘open stad’ verklaard en desondanks verdedigd tijdens de race naar de zee. Na heftige bombardementen in oktober geeft Lille zich toch over. De stad is bezet tot aan het einde van de oorlog. De bezettingstijd is zwaar. De inwoners lijden veel ontberingen, elke avond moeten gegijzelden overnachten in de Citadel van Lille, andere worden gedeporteerd naar Duitsland.

De afgezant uit Lille Gustave Delory wordt tussen 1914 en 1916 gevangen gehouden in Duitsland. Hij ontvangt kort na de oorlog een daverende ovatie in de Kamer van Afgevaardigden, een symbool voor het herstel van de met de voeten getreden waardigheid van Lille. Want buiten de ontberingen was er de schande van de bezetting. Lille is een van de weinige door de Duitsers bezette steden. De Duitsers gebruiken de stad als achterhoedebasis: troepen en officieren komen zich er vermaken. Ze gaan uit in cafés en naar de Duitse schouwburg. De Kroonprinz komt hoogstpersoonlijk de troepen inspecteren. Uiteindelijk lijdt de stad ook onder de verdenking dat bezet zijn gelijk zou staan met het niet ontsnappen aan de meest gruwelijke slagen van de tegenpartij. Arras, Reims en Verdun zijn voorbeelden van het leed van de natie, Lille niet. De wederopbouw wordt aldus geplaatst in het teken van een broodnodig moreel eerherstel.

De tweede bijzonderheid van de stad is dat de wederopbouw een stuk ontmanteling inhoudt. Al sinds 1910 zijn de verdedigingswerken van de stad onbruikbaar verklaard. Lille verwerft via een wet uit 1919 het recht de oude fortificaties te vernietigen. Er komt ongeveer evenveel ruimte vrij als in de binnenstad.

De wederopbouw van Lille staat dus in het teken van zowel de vernieuwing als een moreel eerherstel.

Er is veel vernield: 1.108 woonhuizen zijn totaal van de kaart geveegd. 11.100 woonhuizen zijn beschadigd door de bombardementen uit 1914 of door de explosie van het munitiedepot Les 18 Ponts in 1916. In hetzelfde jaar vernietigt een brand het stadhuis van Lille door kortsluiting.

Ondanks de toevallige aard van de vernietiging van het stadhuis staat het stadhuis centraal in de discussies rond de wederopbouw: moet het gebouw op dezelfde plaats en identiek herbouwd worden? Indertijd lag het stadhuis aan de Place Rihour. Het gebouw bevat enkele oude delen uit de tijd van de graven van Bourgondië, maar ook een vrij sober gedeelte van de hand van de negentiende-eeuwse architect Benvignat. De nieuwe socialistische gemeenteraad van Gustave Delory verkiest een soort streekgebonden hervorming boven het herbouwen van een negentiende-eeuwse vergaarbak van stijlen. Het nieuwe stadhuis moet komen te staan in de arbeiderswijk Saint-Sauveur.

De gemeenteraad opent in 1920 een aanbestedingsproject voor de herinrichting van de stad, bestaand uit twee onderdelen: het ene deel betreft de stad Lille als stad, het andere betreft de agglomeratie Lille-Roubaix-Tourcoing met het oog op een gemeentefusie. De eer komt toe aan de architecten Jacques Gréber en Louis-Stanislas Cordonnier, zoon van Louis-Marie Cordonnier. De uitwerking van het stadsplan wordt echter uitbesteed aan Emile Dubuisson, die ook het nieuwe stadhuis bouwt.

In Lille komen twee soorten wederopbouw op gang: een particuliere wederopbouw – die zoals elders rust op coöperatieve verenigingen – en een openbare wederopbouw die steeds belangrijker wordt enerzijds door de toepassing van de ‘wet van Cambrai’ – de gemeente vervangt de overheid – en anderzijds door afkoop van het recht op schadeloosstelling, vooral in de wijk Saint-Sauveur. De  particuliere wederopbouw is het sterkst in de binnenstad: de straten Rue Faidherbe, Rue du Molinel, Rue de Paris, Rue de Béthune en zijstraten. Architecten Marcel Desmet en René Doutrelong onderscheiden zich door het gebruik van gewapend beton voor de structuren van de gebouwen. In de Rue de Tournai achter het station wordt een streekgebonden stijl aangewend waarin betonnen zuilen puntgevels ondersteunen. In de Rue Faidherbe en Rue de Béthune komt achter de Vlaamse ornamenten een gerenoveerde handelswijk: grote winkels, schouwburgen, bioscopen, cafés, chique hotels…

In de wijk Lille-Moulins, waar de explosie van munitiedepot Les 18 Ponts een groot deel van de gebouwen weggeblazen heeft, worden de enorme textielfabrieken met de omliggende arbeiderswijk weer opgebouwd. Dit keer hebben de huizen een verdieping meer en zijn de binnenplaatsen ruimer. De wijk staat ook in verbinding met de stad. Bij de Porte de Valenciennes worden nieuwe, moderne wijken aangelegd. Toch worden de sociale lagen op geen enkele wijze gemengd, ondanks de uitgesproken wens in het aanbestedingsproject.

De openbare wederopbouw is getekend door de illusie van schadeloosstellingen. De oorspronkelijke ambities worden geleidelijk aan naar beneden bijgesteld. Pas als Roger Salengro met het plan van zijn grootscheepse werkzaamheden komt, krijgt de wederopbouw weer een nieuwe impuls. De ontmanteling van de fortificaties neemt veel tijd in beslag en is pas vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voltooid. In het oostelijke deel van de stad tussen de wijk Fives en het centrum zijn openbare nutsbedrijven als de jaarmarkthallen, de automatische telefooncentrale, het postchequebedrijf aangelegd. Het Instituut Diderot komt in het zuiden tegenover de openluchtschool Désiré-Verhaeghe te liggen. In het westen is bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een ziekenhuiscomplex in aanbouw. Van de bouw van nieuwe lycea, het tussenstation, het vliegveld en de nieuwe universiteit wordt nog even afgezien. De stad wordt voorzien van een uitgebreide serie herdenkingsmonumenten: voor de Gefusilleerden van Lille, Louise de Bettignies, Léon TrulinHet oorlogsmonument komt tegen de resten van het Paleis van Rihour te staan en staat symbool voor de herrijzenis uit de chaos.

Het nieuwe stadhuis in de wijk Saint-Sauveur is het pronkstuk van de wederopbouw van de stad. Ook dit ware vlaggenschip wordt niet afgemaakt: van de drie geplande vleugels zijn er maar twee voltooid – de vleugel met de administratieve diensten en het belfort. De praalvleugel met de ontvangstzalen, de feestzaal, het kantoor van de burgermeester is nooit gebouwd. Toch is het bestaande gebouw al indrukwekkend genoeg. De administratieve diensten beslaan een lange ‘gemeentestraat’ waarin de loketten van de diverse afdelingen naast elkaar liggen als in een Amerikaanse bank. De galerij is gesierd met zuilen voorzien van kapitelen van in aluminium vormen gegoten beton. Architect Emile Dubuisson heeft het gebouw zowel binnen als buiten tot in de details verzorgd. Het belfort was de eerste wolkenkrabber in Frankrijk van gewapend beton. Aan de voet staan de van beton gegoten standbeelden van de twee oprichters van de stad, Lydéric en Phinaert, als historische getuigen van een onstuitbare wedergeboorte.

De grote stedelijke veranderingen die via het project en het inrichtings- en verfraaiingsplan bewerkstelligd moesten worden, zijn niet verwezenlijkt. De sloop van de onbewoonbare panden in de wijk Saint-Sauveur en de aanleg van uitvalswegen vanuit het centrum van de stad worden door geldgebrek opgeschort. Van de grote illusie dat ‘Duitsland zal betalen’ is allang niets meer over. Toch heeft de wederopbouw een structuur en een decor gegeven aan de binnenstad, met de geslaagde integratie van twee gebouwen waar voor de oorlog al aan de bouw was begonnen: de Nieuwe Beurs en de Opera, beide van architect Louis-Marie Cordonnier.

Claude FOURET,
docent in geschiedenis