De terugkeer van de inwoners van de Artois na de oorlog

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

De Duitse invasie van 1914 en het uitbreken van de gevechten in de Artois veroorzaken vrijwel meteen een massale uittocht van de burgerbevolking om de gevaarlijke oorlogszone te ontvluchten. Na de wapenstilstand wordt de overheid, zowel op nationaal als op plaatselijk niveau, geconfronteerd met het probleem van de terugkeer van de gevluchte bevolking naar hun oorspronkelijke woonplaats. Na de vier oorlogsjaren is een groot aantal dorpen van de Artois op en bij het front compleet weggevaagd en de algemene situatie, eind 1918, maakt het onmogelijk om bewoners op korte termijn te laten terugkeren. Naast de materiële schade van de bombardementen blijft het gevaar van ziekte en besmetting dreigen. De re-integratie van de voormalige inwoners moet dus geleidelijk aan gebeuren en brengt diverse problemen met zich mee waarvoor een oplossing moet komen.

Het grootste probleem is ongetwijfeld de wederopbouw. De eerste repatrianten moeten zich tevreden stellen met een noodbehuizing. Een overheidsrapport van zomer 1919 geeft aan dat ‘de bewoners van Thélus in ondergrondse schuilplaatsen en kelders op strozakken slapen’. De burgemeester van Souchez meldt in november 1921 dat in zijn gemeente nog maar twee woningen overeind staan. De overheid zorgt weliswaar voor noodonderdak in de vorm van barakken van hout of golfplaat, maar gezien de omvang van de situatie kan de woningnood in het rampgebied slechts gedeeltelijk worden opgelost. In september 1922 staat de kwestie nog steeds op de agenda van de departementsraad: ‘in veel gemeentes, met name in het kanton van Vimy, is nog geen bevredigende oplossing gevonden voor de woningnood (...). Door een gebrek aan noodonderdak kunnen veel vluchtelingen nog steeds niet naar hun dorp terugkeren. In veel gevallen worden twee à drie gezinnen van samen 10 tot 12 personen in dezelfde woning ondergebracht, in bijzonder slechte omstandigheden zowel uit hygiënisch als zedelijk oogpunt.

Naast de woningnood is er het zo mogelijk nog ernstigere probleem van de voedsel- en drinkwatervoorziening. In de dorpen aan het front zijn waterputten en waterleidingsinstallaties door artilleriegeschut grotendeels verwoest. Het water van de paar putten die er na de oorlog nog zijn, is vaak niet drinkbaar meer of te riskant om te gebruiken in verband met besmettingsgevaar. In Neuville-Saint-Vaast zijn in de zomer van 1919 slechts vier bruikbare putten. In Thélus is er nog maar één die ‘het hele dorp van water moet voorzien, krijgsgevangenen incluis (...) en die in het begin van de middag al droog staat’. De kosten voor herstel van de waterleiding bedragen alleen al voor de gemeentes Souchez, Givenchy, Carency en Vimy twee miljoen frank, waarvan een gedeelte wordt gesubsidieerd door de Pari Mutuel (paardentoto) en het Franse ministerie voor de Bevrijde Gebieden.

Uit de statistieken blijkt duidelijk hoe lang het heeft geduurd voordat de burgerbevolking kon terugkeren naar de dorpen van de zwaarst getroffen kantons in de arrondissementen van Arras en Béthune (zie onderstaande tabel). Pas begin 1924 is de bevolkingsomvang van beide arrondissementen weer op het niveau van voor de oorlog. Sommige dorpen van het voormalige front in de Artois krijgen hun inwonersaantal van voor de oorlog niet meer terug: Neuville-Saint-Vaast verliest definitief een kwart van zijn bevolking.

Yann HODICQ
lid van de Departementale Commissie voor Historie en Archeologie
van de Pas-de-Calais