Vergelijkbare plaatsen

Pascal Mor
D

Trefwoorden

- Bailleul - Ieper - wederopbouw

Bailleul, (her)bouw van een ideale Vlaamse stad

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Bailleul (Belle) wordt voor de eerste keer door de Duitsers bezet in oktober 1914. Een week later neemt het Britse leger de stad in en installeert er een achterhoedebasis. De troepen die massaal zijn ingezet op de Slag bij Ieper kunnen erop terugvallen. Ook het opperbevel, de medische dienst en de chirurgieafdeling worden in Bailleul gestationeerd. In 1917 geeft het Duitse leger order om de omsingeling van Ieper te versterken en de stad te isoleren door de achterhoede te bestoken. De hoofdstraten en de stationswijk van Bailleul worden zwaar getroffen. Het Duitse voorjaarsoffensief van 1918 (Kaiserschlacht) veroorzaakt nog grotere verwoestingen, de rest gaat ten onder bij de bevrijding in augustus. Aan het eind van de oorlog is Bailleul voor 98 procent van de kaart verdwenen.

Architect Louis-Marie Cordonnier krijgt de leiding over de wederopbouw van het Leiedal. In Bailleul gaat hij een samenwerking aan met een groep ‘regionalistische’ architecten: Louis Roussel, Jacques Barbotin en René en Maurice Dupire. Stadsrenovatie wordt door hen niet opgevat als het kopiëren van een voormalige situatie, ook vóór de oorlog stonden er immers in Bailleul geen bijzondere historische gebouwen, zoals in Arras. In Bailleul waren de muren van woonhuizen bepleisterd of beschilderd met een soort imitatiesteen, wat in de opvattingen van de streekgebonden architecten in dat tijdperk absoluut niet typisch Vlaams was. De renovatie van Bailleul is dus meer een hersenspinsel van architecten met Vlaams-regionalistische opvattingen dan een poging om een geschiedkundige situatie naar waarheid te herstellen. Het is een theatrale creatie, een utopisch, haast filmachtig decor, dat uitdrukking geeft aan een regionalisme dat de basis zal vormen van het nieuwe naoorlogse Frankrijk.

Zowel in Bailleul als elders is de bouwstijl van Louis-Marie Cordonnier niet dominerend, de samenwerking met anderen zorgt voor de nodige diversiteit. De wet van 1919 op initiatief van het Franse parlementslid Cornudet stelt steden van boven de 10.000 inwoners verplicht een bestemmingsplan op te stellen voor ruimtelijke ordening, verfraaiing en stadsuitbreiding. Het project van Louis-Marie Cordonnier wordt in 1920 aangenomen. Zijn ontwerp houdt het voormalige stadsplan aan, maar voorziet bredere straten en de aanleg van stadsriolering. De burgemeester van Bailleul, Natalis Dumez, die voorziet dat het nog een tijd kan duren voordat de overheidssubsidie binnenkomt en die de wederopbouw graag ziet afgerond, ziet zich in 1921 genoodzaakt het project van Cordonnier te beperken en de vooroorlogse situatie vrijwel te handhaven.

De werkzaamheden lopen van de jaren twintig tot het begin van de jaren dertig. Het stadhuis is klaar in 1932, Louis-Marie Cordonnier heeft het in zijn oude glorie hersteld. Hij versterkt het monumentale karakter van het gebouw, met behoud van de dertiende-eeuwse gotische zaal, en laat een belfort met een uivormige klokkentoren optrekken van 62 meter hoog. De gemeentelijke diensten worden gevestigd op de begane grond van het stadhuis, de ontvangstzalen komen op de eerste verdieping.

De wederopbouw is een geschikt moment om de voorzieningen van de stad te verbeteren: bestaande instellingen krijgen een nieuw onderkomen, zoals het museum en de tekenacademie, en nieuwe aanpassingen zien het licht. Er worden nieuwe scholen gebouwd die voldoen aan de eisen van de moderne tijd, zoals grote ramen voor een betere lichtinval. De kleuterschool die vroeger deel uit maakte van de meisjesschool krijgt een apart gebouw. Bij de jongensschool komt een badhuis, niet alleen voor de schoolkinderen, maar ook voor de rest van de bevolking. Het voormalige gasthuis gaat over in een modern ziekenhuiscomplex met een kraamafdeling en apart tehuis voor bejaarden.

Ook woningen worden in Vlaamse stijl herbouwd. Iedere architect heeft een eigen manier van werken, waardoor een saai stadsbeeld vermeden wordt. Direct na de oorlog zijn de bewoners in eerste instantie ondergebracht in een noodhuisvesting. Tussen 1920 en 1934 worden door de woningbouwmaatschappij van Bailleul, de H.B.M. (Habitations à Bon Marché), 300 woonhuizen gebouwd met elk twee kamers op de begane grond, twee kamers boven, een zolder en een tuin van 200 à 300 vierkante meter.

De departementale psychiatrische inrichting voor vrouwen, totaal verwoest in 1918, krijgt een nieuw ontwerp in de vorm van een park met vrijstaande cottage-achtige paviljoens. Het beeld van opsluiting moet verdwijnen, een aangename woonomgeving moet gezondheid en genezing van patiënten bevorderen.

Bailleul is na de wederopbouw een harmonieus gerenoveerd geheel, een nieuwe stad die dankzij de Vlaams georiënteerde bouwstijl een sterke band behoudt met haar verleden.

Claude FOURET,
docent in geschiedenis