Vergelijkbare plaatsen

Eric Lebrun
H

Trefwoorden

- Arras - wederopbouw

Arras: identieke restauratie en naoorlogse bouwtechnieken

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Reims, je staat niet meer alleen! Ook Arras ligt in puin.” De hartenkreet van journalist Albert Londres illustreert al meteen in 1914 wat er aan toekomstige restauratie nodig zal zijn. Arras wordt in één adem genoemd met Reims, naar zeggen van historicus Louis Bréhier ‘het Franse nationale monument bij uitstek’. Voor de Fransen is het alsof de Duitsers het Frankrijk van Lodewijk de Heilige te gronde willen richten: de vernietiging van de kathedraal van Reims en de stad en ziel van Arras – het centrum van de romaanse literaire cultuur in de dertiende eeuw. Het herstel wordt een zware opgave die in Arras weliswaar tot een groots resultaat leidt, maar ook zijn beperkingen heeft.

Tijdens de bombardementen van september 1914 en van mei en juni 1915 wordt het stadscentrum van Arras totaal verwoest: de twee pleinen, de abdij van Saint-Vaast, de kathedraal, het belfort, het stadhuis en een reeks zeventiende- en achttiende-eeuwse herenhuizen. Nog maar 5 procent van de woningen van de stad staan overeind, de rest is zwaar gehavend of onherstelbaar beschadigd.

Het herstel van de pleinen en de historische gebouwen wordt als een prioriteit beschouwd en toevertrouwd aan Pierre Paquet, hoofd van de Franse Monumentenzorg. De Franse wet op herstel van de oorlogsschade van 17 april 1919 verplicht tot identieke restauratie van gebouwen die op de monumentenlijst staan. Op 27 december 1918 worden de herenhuizen, de abdij van Saint-Vaast, het belfort en de gevel van het stadhuis op de lijst ingeschreven. De restauratie duurt van 1919 tot 1934, maar gezien de deplorabele staat van de gebouwen gaat het eerder om herbouw dan om restauratie. Het merendeel van de gebouwen ligt in puin, waaronder meer dan tweederde van de 155 voorgevels van beide pleinen. Pierre Paquet gaat nauwkeurig te werk, daarbij duidelijk afwijkend van de soms nogal vrije restauratiemethodes van negentiende-eeuwse architecten zoals Viollet-le-Duc. Bouwtekeningen van de gevels en de achterliggende gebouwen zijn er niet, dus moet Paquet zich baseren op oude documenten en foto’s en zelf een oplossing vinden voor ingewikkelde problemen. Later toegevoegde gedeeltes uit de negentiende eeuw laat hij niet herbouwen. Hij maakt de gevels weer precies zoals ze waren, maar gaat vrijer om met het binnenwerk. Zo wordt het stadhuis van binnen volledig gemoderniseerd en aangepast aan de vereisten van een naoorlogse gemeente.

Elk gebouw kan qua indeling en oppervlakte worden herbouwd op basis van symmetrie, zoals het geval is voor het stadhuis. Geveldecoraties worden weer identiek aangebracht, als hun oorspronkelijke staat tenminste nog bekend is, of worden opnieuw ontworpen in de geest van de rest van het gebouw. Bij de wederopbouw van Arras heeft gewapend beton als nieuw bouwmateriaal definitief zijn intrede gedaan. Het belfort ziet er weer middeleeuws uit, maar staat verankerd op een stevige basis van staal en beton. Ook voor de wederopbouw van de abdij van Saint-Vaast en de herenhuizen is gewapend beton gebruikt. In de ontvangstzaal van het stadhuis komt een grote muurschildering van de hand van Charles Hoffbauer, die de stad Arras en inwoners voorstelt in een geïdealiseerd zestiende-eeuws decor. Elk onderdeel van het fresco is een genretafereel, waarbij de schilder zijn inspiratie ontleent aan Pieter Brueghel en geïllustreerde historische documenten. Pierre Paquet heeft indrukwekkend werk geleverd in Arras: de historische gebouwen staan weer op hun plaats en ook het karakteristieke stadscentrum rond de twee pleinen is opnieuw tot leven gekomen. Het resultaat heeft de grondslag gelegd voor modern restauratiewerk als een samenspel van moderne techniek en noodzakelijk respect voor het oorspronkelijke bouwwerk.

Maar de wederopbouw van Arras heeft ook zijn beperkingen. De nauwkeurige, identieke restauratie van het centrum heeft een hoog prijskaartje. De financiën worden opgebracht met nationale en internationale hulp, wat de renovatie van de rest van de stad vertraagt. In 1923 komt een eerste bestemmingsplan uit, dat voorziet in een nieuw stratenplan in combinatie met ondergrondse riolering. Vanwege te hoge kosten wordt het terzijde geschoven. Financiering van de Franse overheid laat op zich wachten, speculatie zet de verkaveling van veel percelen onder druk, nieuwe hygiëneverordeningen worden niet opgevolgd en een echte stadsplanning is er niet. Een nieuw project in 1925, minder ambitieus dan het vorige, geeft alleen een voorstel voor de voorziening van gas, licht en water. Er wordt 60 kilometer nieuwe bestrating met trottoirs en straatverlichting aangelegd en nieuwe scholen gebouwd, maar de sociale woningbouw blijft achter.

De situatie leidt tot een grote tegenstelling tussen de restauratie van het centrum en de rest van de stad. De meeste winkels uit het centrum maken plaats voor het station. Na de oorlog is het vooral zaak om de stad na het oorlogsleed zijn voormalige aanzien terug te geven en op die manier de bevolking in het zadel te helpen. Om deze reden is Arras een goed voorbeeld. Niet alleen van de ambities van de wederopbouw, maar ook van de daaruit voortvloeiende beperkingen.

Claude FOURET,
docent in geschiedenis