1918: het landschap van de slagvelden

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Na een loopgravenoorlog van vier jaar zijn de departementen Nord en Pas-de-Calais totaal verwoest langs een noord-zuidlijn die loopt van Armentières via Lens en Arras tot aan Bapaume. Miljoenen granaten hebben de grond opengereten, bomen en bossen versplinterd en hele dorpen en steden (Armentières, Lens) in puin gelegd, zo niet van de kaart geveegd. Deze rode zone is niets anders meer dan een maanlandschap met bergen puin, opengereten wegen en spoorlijnen, en stukken bos met afgeknapte, gespleten boomstronken.

De twee meest urgente zaken zijn het begraven van de honderdduizenden gesneuvelde soldaten, ongeacht de nationaliteit, en het wegruimen van het puin. Pas als dat is gebeurd, kan een begin worden gemaakt met de wederopbouw. Er moet allereerst gezorgd worden voor drinkwater, want waterputten zijn weggevaagd of besmet en bronnen zijn van plaats veranderd. Er moet noodopvang komen in de vorm van barakken, of van hout dat nog te gebruiken is of van materiaal dat het leger kan leveren. De terugkeer van gevluchte streekbewoners komt in 1919 langzaam op gang en zal nog jaren duren.

Vijf jaar zijn nodig om de slagvelden te zuiveren van alle achtergebleven oorlogsmaterieel en om de grond weer bruikbaar te maken. Kilometers prikkeldraadbarrières en allerlei andere versperringen moeten worden verwijderd en niet-ontplofte projectielen onschadelijk gemaakt. Alleen al in het departement Pas-de-Calais gaat het om een oppervlakte van maar liefst 178.000 hectaren. Pas na een grondige ruiming kan de grond worden geëgaliseerd en ontdaan van puin en stenen. De strook die wordt aangemerkt als ‘rode zone’ vereist het meeste werk: een oppervlakte van 26.409 hectaren, verdeeld over 46 gemeentes in de Pas-de-Calais, is totaal onbruikbaar.

Krachtens de wet van 17 april 1919 is de Franse staat verantwoordelijk voor het herstel van de oorlogsschade. Aangezien de herstellingskosten hoger liggen dan de waarde van de grond zelf, gaat de staat over tot aankoop van een groot aantal percelen in de rode zone. Ook zal de overheid zorgen voor een goed functionerend kadaster en het opnieuw afbakenen van de erfgrenzen. In maart 1919 wordt in Arras een speciale dienst gevestigd voor herstel van grondbezit en erfgrenzen, in samenwerking met gemeentelijke commissies. Het merendeel van de verwoeste gemeentes geeft te kennen de erfgrenzen van vóór de oorlog te willen handhaven, terwijl de overheid liever herverkaveling ziet. Het werk van de landmeters en de afbakening van percelen is in 1923 vrijwel afgerond. De Franse staat heeft enorme financiële, administratieve en technische hulp verleend, maar vooral door de volledige inzet van de boeren zelf, kan het werk in vrij korte tijd – binnen 10 jaar – worden voltooid.

De omvang van de hele wederopbouw is enorm en vraagt om een geïndustrialiseerde aanpak van het bouwproces. Zo wordt ruim gebruik gemaakt van gewapend beton voor de basisstructuur van grote gebouwen. Op het platteland komt rode baksteen in plaats van de vroegere, lichtgetinte kalksteen. Het aanzicht van de streek verandert van kleur...

Yves Le Maner,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais