Vergelijkbare plaatsen

Samuel Dhote
Louverval Military Cemetery and Cambrai Memorial - Doignies

Trefwoorden

- 1918 - Cambrai

Vluchtelingen, gedwongen evacuatie en verschroeide aarde

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Vluchtelingen

Tijdens de invasie van zomer 1914 slaan veel inwoners uit de Nord op de vlucht voor de opmars van de Duitse troepen. Anderen worden gedwongen geëvacueerd door het zich terugtrekkende Franse leger. Nog anderen lukt het om weg te komen uit de bezette gebieden en via Zwitserland of Nederland Frankrijk weer te bereiken.

Bejaarde vrouwen en kleine kinderen, geëvacueerd uit de dorpen langs het front, worden ook via deze route naar Frankrijk gerepatrieerd. Al in maart 1915 beginnen de eerste gedwongen repatriëringen naar de bezette gebieden, voornamelijk behoeftigen, ongewenste personen, klaplopers en zieken. Naderhand gaat het op vrijwillige basis: de Duitse autoriteiten kondigen een repatriëringskonvooi aan, vrijwilligers kunnen zich op een wachtlijst laten zetten. Degenen die mee mogen met het konvooi moeten hun reis betalen.

Ze mogen maar 30 kilo bagage meenemen, hun huis wordt gevorderd en iedere briefwisseling is verboden. Na een korte quarantaine in België worden de vrijwillige vluchtelingen per trein overgebracht naar Schaffhausen en aan de Zwitserse autoriteiten overgedragen. Vervolgens komen ze via Annemasse en Evian weer in Frankrijk.

Tussen 1915 en 1918 is het voor ongeveer 30.000 inwoners van Lille op die manier mogelijk om weer naar Frankrijk terug te keren. De meesten worden doorgestuurd naar de departementen Tarn en Garonne en krijgen een speciale kaart die recht geeft op een uitkering. Ze krijgen ook een vrijgeleidebrief, maar zijn verplicht de Franse autoriteiten op de hoogte stellen als ze van woonplaats veranderen. De opvang van de gerepatrieerden – hoofdzakelijk vrouwen, kinderen en bejaarden – verloopt niet altijd probleemloos.

In de beginperiode krijgen de vluchtelingen huisvesting, kleren en voedsel van filantropische instellingen en particulieren. Later keert de overheid hen dezelfde vergoeding uit als aan familieleden van gemobiliseerde personen. De gemeentes waar ze verblijven, moeten toezicht houden op hun huisvesting, voedsel, verwarming.

Op 28 oktober 1914 wordt een centraal bureau opgericht om werklozen en vluchtelingen aan werk te helpen. Om ze iets omhanden te geven worden vluchtelingen over het algemeen ingezet in landbouw- of fabrieksploegen, voornamelijk achter het front en in de agglomeratie van Parijs. 30,1 procent van de werkers zijn afkomstig uit de Pas-de-Calais, 33 procent uit de Nord en de Somme. Hun aanwezigheid wordt niet erg op prijs gesteld, ze krijgen de bijnaam ‘de moffen van het Noorden’. Ze spreken een ander dialect, hebben andere gewoontes en hun aanwezigheid doet prijzen en werkloosheid stijgen. Vanaf 5 december 1918 wordt hun terugkeer naar het noorden in gang gezet.



Gedwongen evacuatie en verschroeide aarde

Op bevel van het Algemene Hoofdkwartier moeten de Duitsers in hun aftocht alle bewoners meenemen. Zo wordt de bevolking van Douai tussen 2 en 4 september 1918 geëvacueerd naar Bergen en Brussel. Op 9 oktober 1918 verblijven zo’n 5.000 vluchtelingen uit de Nord in Bergen, ondergebracht in gevorderde gebouwen of bij particulieren.

De meesten zijn lopend in Bergen aangekomen in etappes van rond 20 kilometer per dag. Ziekenhuispatiënten zijn per binnenschip vervoerd. De evacuatie van Cambrai, eerst naar Valenciennes en daarna naar Luik en Mechelen, begint op 8 september 1918 en duurt drie dagen, waarna de Duitsers de stad in brand steken. In oktober 1918 wordt Haubourdin geëvacueerd en een hele woonwijk gaat in vlammen op. Ook de inwoners van Aniche, Condé, Valenciennes, Fresnes, Bruay en Anzin worden naar België of naar Nederland gestuurd. Door al deze evacuaties verspreidt de Spaanse griep zich snel onder de door ondervoeding verzwakte bevolking.

Wat nog over is aan fabrieken en materieel wordt in brand gestoken of opgeblazen. Bovengrondse mijninstallaties (pompstations, generatoren, delfmachines) worden ontmanteld of vernietigd, mijngangen onder water gezet, mijnschachten opgeblazen. Het Duitse leger blaast ook bruggen en spoorwegen op om de opmars van de geallieerden te stuiten.

In Trith-Saint-Léger en Maing, bij Valenciennes, wordt het moerasgebied van de Schelde onder water gezet, waardoor het lager gelegen stadsdeel van Valenciennes snel onder water komt te staan. De wijk Faubourg de Paris wordt door brand verwoest. Cambrai wordt op 9 oktober door de Canadezen bevrijd, Douai acht dagen later en Valenciennes op 2 november. De Britse troepen bevrijden Lille op 17 oktober en bereiken Avesnes-sur-Helpe en Maubeuge op 10 november.

Op 7 november steken de Duitse gevolmachtigden de Franse linies over en verzoeken om een wapenstilstand, die op 11 november wordt getekend.


Door Claudine Wallart,
hoofdconservatrice Erfgoed in de
Departementale Archieven van de Nord