Plundering, vorderingen en voedselgebrek

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Vorderingen

Net als bij iedere oorlog heerst ook hier in het begin de overtuiging dat de strijd maar van korte duur zal zijn en worden vorderingen uitgevoerd zonder de minste controle.

Maar al vrij snel, vanaf eind 1914, wordt een georganiseerd vorderingssysteem opgezet. De Duitsers stellen een lijst op van alle grondstoffen en industrieproducten uit de bezette gebieden. In 1916 verschijnt in München een rapport van het Algemene Hoofdkwartier dat alle takken van industrie inventariseert van de industrie in bezet Frankrijk.

Het doel is tweeledig: concurrentie uitschakelen en het afstraffen van fabrieken die weigeren met de bezetter samen te werken. Op het boerenland wordt de inventaris opgemaakt van vee, graan, aardappelen, hooi en stro, akkerland, ingezaaid land, enzovoort. Elke etappe-inspectiedienst beschikt over een economische commissie die belast is met de exploitatie en de vorderingen en heffingen doorgeeft aan de desbetreffende Kommandanturen.

Vanaf 1916 moet elk huishouden de lijst van zijn bezittingen opstellen en die duidelijk zichtbaar ophangen. Alles is geschikt voor vordering: linnengoed, meubels, matrassen, kurken, wijn, gereedschap, metalen, hout, keukengerei, leer, rubber…

Koperen leidingen in fabrieken worden gedemonteerd, standbeelden en kerkklokken omgesmolten, zinken dakgoten en prikkeldraad rond de weilanden in beslag genomen. Wol van matrassen wordt gebruikt voor het maken van uniformen. Bossen worden kaalgekapt in Mormal en Raismes voor het stutten van loopgraven. Landbouwopzichters schatten van tevoren de oogstopbrengst die moet worden ingebracht. Als de boeren zelf hun land bewerken, wordt het grootste deel van de oogst geconfisqueerd. Zo niet, dan wordt het werk aan dwangarbeiders opgelegd.


Noodgeld

De bezette gemeentes hebben totaal geen contact meer met de Franse overheid en moeten buitensporige boetes en heffingen betalen, hulp verlenen en voedsel verstrekken aan de bezetters. Hun enige uitweg is de uitgifte van gemeentebonnen, aflosbaar na de oorlog. Dit ‘noodgeld’ is noch officieel noch helemaal legaal, want er is geen beslissing of toestemming van de overheid aan voorafgegaan.

Het kan gewoon niet anders, gezien de omstandigheden. Verontrust over de enorme toename van de bonnen besluiten de Duitse autoriteiten om alleen bonnen toe te staan die worden uitgegeven door grotere steden, samenwerkende gemeentes en beroepsorganisaties. Ook wordt de vormgeving – papier, formaat, kleur en tekst – vastgelegd. De afgekeurde bonnen moeten geleidelijk uit de omloop worden genomen (hetgeen nogmaals duidelijk wordt herhaald in de verordeningen van 6 mei 1917 en 1 april 1918).

Hongersnood

Vanwege de door Groot-Brittannië in 1914 opgelegde zeeblokkade moet Duitsland zijn bevolking van voedsel voorzien uit eigen middelen. Door een bijzonder slechte oogst in 1916 komt het dagelijkse broodrantsoen op 200 gram. Duitsland stelt overheidscontrole in om door rantsoenering te vermijden dat een tekort ontstaat en om de prijzen te handhaven. Er komen distributiebureaus die moeten zorgen voor de vordering van en heffingen op landbouwproducten als graan, aardappelen en bieten.

Ook wordt gezocht naar ‘Ersätze’, ofwel vervangende producten: bijvoorbeeld koolrabi in plaats van aardappelen en hop of eikenblad in plaats van tabak. Boter kan worden vervangen door een mengsel van margarine, talg en zetmeel. De werktijd wordt verlengd en in fabrieken worden vrouwen, bejaarden, kinderen en invaliden aangenomen.

In het voorjaar van 1917 moet de Duitse infanterist per dag genoegen nemen met 400 gram brood, aardappelmeel of peulvruchten met een beetje boter of reuzel. Alcohol wordt alleen nog maar uitgedeeld vóór de gevechten. Om voldoende te eten moeten de mannen het dus hebben van vorderingen in bezet gebied.

Als de blokkade in de loop van 1917 geleidelijk aan wordt versterkt, komt het tot nog strengere voedselbeperkingen voor de bevolking: per persoon 200 gram volkorenmeel per dag en 5 pond aardappelen, 250 gram vlees en 50 gram boter (meestal margarine) per week. Er is gebrek aan steenkool, leer en textiel: alles gaat naar het leger.

De volksgezondheid in de bezette gebieden gaat door deze staat van ondervoeding hard achteruit: dysenterie, cholera, tuberculose, scheurbuik en pokken slaan toe. Het aantal geboortes vermindert schrikbarend en kindersterfte loopt op. De zwarte markt functioneert hoe langer hoe beter en er komen gaarkeukens in de grote steden.

In Duitsland wordt de voedselcrisis door de socialistische Spartakisten aangegrepen om stakingen, onlusten en muiterijen (met name bij de marine) te organiseren - die hard worden neergeslagen - en op een compromisvrede aan te sturen. In Oostenrijk-Hongarije en bij de Oost-Europese bondgenoten van Duitsland, zoals Turkije en Bulgarije, heerst ook voedselschaarste en komt het tot oproer en onlusten als verzet tegen de vorderingen op het platteland.

In Frankrijk, Engeland en Italië wordt de bevoorrading belemmerd door de buitensporige onderzeebotenoorlog in 1917, terwijl de oogst op het platteland in de knel komt vanwege de mobilisatie van de mannen. Inflatie, leningen en tekorten ontmoedigen de bevolking, stemmen tot ontevredenheid en geven de aanzet tot stakingen, waaraan de vrouwen die voor de (Franse) verdediging werken massaal meedoen.

Ondervoeding en het Comité d’alimentation du Nord

De Amerikaanse Commissie voor Hulp aan België (Commission for Relief in Belgium – CRB), aanvankelijk bedoeld om hulp te verlenen aan door de oorlog in Europa verraste Amerikanen, wordt op 22 oktober 1914 in Brussel opgericht door de Amerikaan Brand Whitlock, de Spaanse ambassadeur de markies van Villalobar en de Amerikaanse ingenieur (en toekomstige president van Amerika) Herbert Hoover. De commissie wordt gefinancierd door Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.

Het Comité d’alimentation du Nord de la France wordt opgericht in april 1915, nadat Louis Guérin, een industrieel uit Lille, contact had gelegd met het Comité National Belge en de CRB. In april 1915 krijgt hij toestemming van de Duitsers die maar al te graag van de bevoorrading van de Franse burgerbevolking af willen en beloven om de voedselhulp niet te vorderen. De CRB is een soort tussenpersoon die de orders ontvangt en de bestelde producten verstuurt naar het Comité National Belge. Deze zorgt voor het verdere vervoer naar het Comité d’alimentation du Nord, dat op zijn beurt de distributie regelt naar de plaatselijke commissies in de bezette steden en dorpen. Omdat het Comité d’alimentation du Nord vanuit bezet gebied geen deviezen kan versturen, wordt de betaling van de voedselhulp geregeld door het Belgische Comité.

Toch moet de sterk filantropische instelling van de organisatie niet worden onderschat. In zijn eerste jaarverslag noemt ingenieur Hoover het departement Nord “een uitgestrekt concentratiekamp waarin elke vorm van economische activiteit geheel is stilgevallen” en waar hulp moet worden geboden aan 2.125.000 mensen. De Verenigde Staten sturen schepen met voedsel naar het hoofddepot in Rotterdam waarna de voedselhulp via de binnenwateren verder wordt verdeeld. De spoorlijnen zijn uitsluitend voor gebruik van het Duitse leger. De opslagruimtes staan niet onder controle van de Duitse autoriteiten die beloofd hebben dat de levensmiddelen niet gevorderd worden en alleen ten goede komen aan de Franse bevolking. Ook verlenen de Duitsers soms medewerking aan de voedseltransporten.

Voor een beter overzicht van de behoeften en om de voedselhulp te verdelen, wordt het departement Nord in drie districten verdeeld, Lille, Douai en Fourmies (Maubeuge wordt aanvankelijk vanuit België bevoorraad). Elk district is onderverdeeld in regio’s met elk een regionaal comité. Bijna de helft van de hulp (42%) komt uit de Verenigde Staten, 25% uit de Britse koloniën, 24% uit Groot-Brittannië en 9% uit neutrale landen (met name Nederland). Het gaat voornamelijk om meel, tarwe, mais, rijst, pasta, bonen, spek, vet en olie, zout, suiker, koffie en zeep. Naderhand komen er ook aardappelen uit Nederland, pootgroente, zaaigoed, speciale producten voor kinderen en medicijnen.

In 1916 krijgt iedere bewoner per dag gemiddeld 240 gram meel, 14 gram maïs, 60 gram rijst, 48 gram spek of vleesconserven, 15 gram suiker, 19 gram koffie, 19 gram melk en 16 gram zeep. Het aantal calorieën dat het Voedselcomité verstrekt is naar schatting 1.100 tot 1.300 per persoon per dag. De levensmiddelen worden volledig gelijk verdeeld. Mensen die het kunnen, moeten ervoor betalen, alleen behoeftigen krijgen gratis voedsel.

Na de oorlogsverklaring van de Verenigde Staten neemt het Spaans-Nederlands Comiteit de voedselorganisatie over, maar de uitbreiding van de onderzeebotenoorlog brengt de bevoorrading in gevaar. De aanvoer in Rotterdam daalt met 55 procent. Dus worden de leveringen vanuit Nederland opgevoerd, voornamelijk van zaden voor het inzaaien van moestuinen. De Duitsers zeggen toe dat noch het zaaigoed noch de oogst worden geconfisqueerd. Aan het eind van de oorlog verleent het ‘Comiteit’ ook zijn medewerking aan het repatriëren van 40.000 personen via Nederland en zet zich in voor de bevoorrading van de inwoners van de bezette gebieden, geëvacueerd tijdens de Duitse terugtocht.

De Commission for Relief in Belgium wordt eind december 1918 ontbonden. We kunnen stellen dat dit hulpcomité de bevolking van de Nord een hongersnood heeft bespaard.

Intussen staat het slecht met de gezondheidssituatie van de bevolking. De directeur van het Pasteur Instituut in Lille, Dokter Calmette, geeft aan dat het sterftecijfer van 19-21 promille van vóór de oorlog is gestegen naar 41-55 promille in 1918 en dat tuberculose in sterke mate is toegenomen.


Door Claudine Wallart,
hoofdconservatrice Erfgoed in de
Departementale Archieven van de Nord