Vergelijkbare plaatsen

Pascal Mor
Monument aux victimes de l'explosion de la poudri

Trefwoorden

- Lille

Lille tijdens de Duitse bezetting

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Lille wordt door de Duitse troepen bezet op 13 oktober 1914 na een beleg van tien dagen en een zwaar bombardement: 882 gebouwen en 1.500 woonhuizen verwoest, met name in de wijk rond het station en in het centrum. Het Duitse bestuur vestigt zich in Lille in de loop van de maand oktober.

De commandopost van het 6e Duitse leger wordt geïnstalleerd in het gebouw van de prefectuur. Generaal Von Heinrich voert het bevel over de bezettingsmacht, generaal Von Grävenitz regelt de betrekkingen tussen de bezetter en de Franse burgerbevolking. In 1916 wordt Von Heinrich vervangen door Von Grävenitz.

De Kommandantur van Lille wordt gevestigd in een deel van het bankgebouw van de Crédit du Nord in de rue Jean-Roisin. De burgemeester van Lille, de prefect, de bisschop van Lille en generaal Von Heinrich vergaderen iedere dag om 10 uur.

De Lillerkriegszeitung, de Duitse krant voor de bezettingstroepen, is gevestigd in het gebouw van de Echo du Nord, de lokale krant wier de drukpersen zijn gevorderd. Andere Duitstalige kranten (Westfront, Armeezeitung) zijn te koop in de Rue Nationale in Lille, in het gevorderde pand van de Crédit Lyonnais dat ingericht is als krantenhandel.

-De Pass-Zentrale, waar de vergunningen om zich in de stad met een vervoersmiddel te verplaatsen uitgegeven worden, zit eerst in het stadhuis van Lille, daarna in de Rue Jean-Roisin. Het Duitse postkantoor komt in het beursgebouw, de Nouvelle Bourse, de huidige Kamer van Koophandel.
-De Duitse militaire politie installeert zich in de Rue Nationale, aan het Square Desrousseaux.
-De intendance is gevestigd aan de Grand-Place en de economische controledienst in de Rue Nationale.
-De Citadel wordt gebruikt als gevangenis voor gijzelaars die willekeurig worden opgepakt om de bevolking tot gehoorzaamheid te dwingen.

Lille, op een kleine twintig kilometer van het front, is een doorreisplaats voor legereenheden die naar het front gaan of er vandaan komen. Konvooien van ambulances vervoeren gewonden naar de diverse ziekenhuizen van de stad (met name La Charité en Saint-Sauveur) en naar het Faidherbe-lyceum, dat na vordering is omgebouwd tot veldhospitaal.

De stad wordt al snel een ‘oase’ voor de soldaten.
De gewone soldaat zoekt zijn vertier in kroegen en cafés, waar bier gul wordt geschonken. Er is een dranklokaal (Trinkhalle) in de tramkiosk op de Grand-Place. Duitse officieren ontmoeten elkaar in gevorderde café-restaurants als La Paix, Belleville, Royal, Moderne of L’Europe.
Soldaten maken graag een ommetje in de Rue Nationale, waar winkels van Duitse burgers als paddenstoelen uit de grond rijzen en banketzaken als Yanka, Marquise de Sévigné en Méert goede zaken doen.
Een militaire veldkeuken wordt geopend in de Rue Neuve (Zum Feldgrauen), een andere in de vrijmetselaarstempel. In de Franse Cercle Militaire komt een soldatentehuis.
Er komen casino’s: het Offizier-Kasino, op de hoek van de Rue Nationale en de Rue du Pas en een casino voor soldaten in de Rue Neuve. In de Rue Esquermoise komt een Soldatenkino (bioscoop voor soldaten).

De schouwburg ‘Le Nouveau Théatre’ (nu de Opera), in 1903 door brand verwoest, is in wederopbouw als de oorlog uitbreekt. De Duitsers maken de bouw af en sieren de gevel met de inscriptie ‘Duitse Schouwburg’. De openingsvoorstelling vindt met veel vertoon plaats op eerste kerstdag 1915, in tegenwoordigheid van kroonprins Rupprecht van Beieren en gouverneur Von Heinrich. Artiesten uit Berlijn vertolken Iphigeneia van Goethe, een symfonische Prelude en Festklange van Liszt. Naderhand staan de Niebelungen op het programma en diverse operettes. De burgerbevolking mag komen kijken naar de voorstellingen, maar er is weinig animo. De Duitse artiesten verlaten de Opera uiteindelijk in september 1918, na het vernietigen van alle decors en toneelinstallaties.

In de Jardin Vauban en het Square Jussieu worden concerten en aubades gegeven. Elke dag om twaalf uur exact (Duitse tijd) wordt de wacht afgelost. Voorafgegaan door pijpers en trommels marcheert het Beierse bataljon de Rue Nationale af naar de Grand-Place, waar ze rond de Zuil van de Godin een aantal figuren uitvoeren. Een dagelijkse vertoning waar de bewoners van Lille goed de draak mee steken.

Een groot aantal vooraanstaande Duitsers brengt een bezoek aan de stad, zoals keizer Wilhelm II (voorjaar 1918), de koning van Beieren, kroonprins Rupprecht van Beieren (juli 1916) en de prinsen van Saksen en van Württemberg. De officiële bezoeken geven aanleiding tot imposante militaire parades.

Om het moreel van de bezette bevolking te breken en dat van de bezetters op te vijzelen worden bijna dagelijks geallieerde krijgsgevangenen door de straten gevoerd. Ze marcheren onder toezicht van de reservisten van de Landsturm van het station naar de Citadel en terug. Contact zoeken of blijk geven van sympathie is verboden.

Terwijl voor gewone soldaten kazernes worden ingericht in lege fabrieksgebouwen (zoals de tabaksfabriek), mogen officieren hun intrek nemen in gevorderde villa’s. Zo woont prins Rupprecht in de villa van Dr. Dubar aan de Avenue Salomon en Von Heinrich in het herenhuis aan de Rue Royale van Marie Boselli-Scrive die er zonder pardon is uitgezet.



De ontploffing van Les 18 Ponts in Lille

Op 11 januari 1916 om half vier ’s nachts wordt Lille opgeschrikt door een zware ontploffing die de hemel felgeel kleurt: het bastion ‘Les 18 Ponts’ aan de Boulevard de Belfort is weggeblazen. Het bastion is een stuk van de oude stadsversterking waarvan de gewelfde kazematten vroeger als kruitmagazijn dienden. Het bolwerk van twee verdiepingen hoog bestond uit 18 bogen (vandaar de naam) met solide onderaardse gewelven, overdekt met een dikke laag aarde. Het werd door de Duitsers gebruikt als explosieven- en munitiedepot.

De explosie heeft het kruitmagazijn totaal verwoest en een krater geslagen van 150 meter breed en zo’n 30 meter diep. De omringende wijk Moulins is van de kaart geveegd. De meeste schade is aangericht in de Rue de Ronchin (tegenwoordig Rue Jean-Jaurès), Rue Desaix, Rue Kellermann, Rue de Trévise en de Boulevard de Belfort. 21 fabriekspanden en 738 woonhuizen zijn verwoest.

De muren van gewapend beton van de textielfabrieken van Wallaert en Le Blan hebben als een schild de rest van de stad beschermd. Toch strekt de schade zich van de Place de la République, Rue de Béthune, Boulevard de la Liberté, Boulevard des Ecoles uit tot Ascq, Hellemmes, Mons-en-Baroeul en Roubaix. De ontploffing was te horen tot in Oostende, Brussel en Breda, op meer dan 150 kilometer afstand. Er vallen 104 burgerslachtoffers, onder wie hele gezinnen, en tussen de 300 en 400 gewonden, van wie 116 ernstig. Er zijn officieel 30 doden aan de zijde van de bezetter.

De oorzaak van de ramp is nog steeds niet helemaal duidelijk. Er is sprake geweest van een aanslag, zonder enig bewijs, of van een bom van een Brits vliegtuig, maar niemand heeft het geluid van een vliegtuig gehoord. Het meest aannemelijk is een spontane ontploffing van onstabiele springstoffen van slechte kwaliteit.


De brand van het stadhuis van Lille


Tegen half tien in de nacht van 23 op 24 april 1916 ontstaat brand op de tweede verdieping van het stadhuis van Lille, toen nog aan de Place Rihour. De Duitsers zijn er het eerste bij, de brandweer doet er langer over vanwege de spertijd. De brand verspreidt zich snel over het hele gebouw. Ondanks de lage waterdruk proberen de brandweerlieden de omringende gebouwen zoveel mogelijk te beschermen. Alleen de Salle du Conclave (historische kapel) en de financiële afdeling worden gered. De oorzaak van de brand schijnt puur toeval te zijn. Helaas zijn alle negentiende-eeuwse gemeentearchieven en een deel van de inventaris van de stadsbibliotheek in rook opgegaan. Na de brand worden de gemeentediensten ondergebracht aan de Boulevard de la Liberté, in de prefectuur, en in april 1918 in de Rue Gambetta.

Na de oorlog krijgt architect Emile Dubuisson opdracht voor de bouw van een nieuw stadhuis. Na de oorlog krijgt architect Emile Dubuisson opdracht voor de bouw van een nieuw stadhuis. De keus voor de locatie is snel gemaakt: het komt te staan in de wijk Saint-Sauveur waar genoeg ruimte is voor een groter gebouw. Het centrum krijgt hierdoor meer mogelijkheden voor woningbouw. Het nieuwe stadhuis wordt in 1932 geopend.


Door Claudine Wallart,
hoofdconservatrice Erfgoed in de
Departementale Archieven van de Nord