Het verzet tegen de eerste duitse bezetting : Louise de Bettignies en het ‘Réseau Alice’, Léon Trulin, het Comité Jacquet, de illegale pers

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Het verzet tegen de eerste duitse bezetting : Louise de Bettignies en het ‘Réseau Alice’, Léon Trulin


In de Eerste Wereldoorlog bestaat het woord ’verzetsstrijder’ nog niet, dat wordt pas gangbaar tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor iemand die verzet pleegt tegen de bezettingsmacht in de jaren 1914-1918 wordt het verouderde woord ‘spion’ gebruikt.

Omdat de geallieerden vooral gedetailleerde inlichtingen nodig hebben over het Duitse leger, worden in de bezette gebieden agenten gerekruteerd die betrouwbare informatie kunnen opsporen en doorgeven. In Folkestone wordt een geallieerd inlichtingenbureau gevestigd onder leiding van een Britse officier, majoor Cecil Aylmer-Cameron, die informatie doorkrijgt van de Franse en Belgische inlichtingendiensten. Pas als generaal Foch in maart 1918 wordt benoemd tot opperbevelhebber van de geallieerde krijgsmacht, krijgt Folkestone de volledige coördinatie in handen van alle geallieerde veiligheidsdiensten. Voor de verbindingen tussen bezet gebied en de zones onder geallieerde controle worden hoofdzakelijk postduiven gebruikt. Door het onderscheppen van postduiven lukt het de Duitsers om een aantal organisaties te ontmantelen. Buiten Engeland heeft het bureau van Folkestone de supervisie over twee afdelingen, één in Rotterdam, in het neutraal gebleven Nederland, de ander in Montreuil-sur-Mer, achter het front.

In Saint-Omer, waar tot 1916 het Britse hoofdkwartier van generaal French zetelt, legt de inlichtingendienst het eerste contact met Louise de Bettignies, een jonge vrouw afkomstig uit de streek. Sinds de bezetting geeft ze berichten van inwoners van het bezette Lille door aan landgenoten elders. Louise de Bettignies is in 1880 geboren in Saint-Amand-les Eaux en komt uit een door financiële tegenslag geruïneerde adellijke familie. Na haar middelbare schoolopleiding in Valenciennes geeft ze in diverse Europese landen thuisonderwijs aan kinderen in welgestelde kringen. Louise is een vlotte jonge vrouw, die vloeiend Engels, Duits en Italiaans spreekt en zich kan redden in het Russisch, Tsjechisch en Spaans. Al in de eerste oorlogsmaanden, na de bezetting van Lille waar ze op dat moment woont, wijkt ze uit naar Saint-Omer en komt te werken in de verpleging van gewonden. In eerste instantie wordt ze benaderd door het Franse 2e Bureau, maar verkiest in dienst te treden van de Britse Intelligence Service. Tijdens een grondige opleiding in Engeland leert ze codes gebruiken, plattegronden tekenen, inlichtingen inwinnen en doorgeven. Ze neemt de schuilnaam Alice Dubois.

Louise de Bettignies wordt in België geïnfiltreerd, waar ze zogenaamd werkt voor het Nederlandse bedrijf de Vlissingse Graanhandel. Ze krijgt als belangrijkste opdracht de Duitse troepenbewegingen te observeren in Lille en omgeving, het voornaamste knooppunt van de Duitse troepen in dit deel van het westfront. In voorjaar 1915 telt het Réseau Alice (Netwerk Alice) meer dan 80 mannen en vrouwen uit alle sociale lagen. Ze houden het treinverkeer in de gaten, lokaliseren geschutstellingen, munitiedepots, de verblijfplaats van stafleden en helpen geallieerde soldaten naar Nederland te ontkomen. Het netwerk krijgt medewerking van ene De Geyter, een Belg uit Moeskroen, die als eigenaar van een chemisch industrielaboratorium voor valse papieren zorgt. Alle inlichtingen worden door koeriers zo snel mogelijk naar Nederland overgebracht. De tachtig leden van het Réseau Alice in de driehoek Lille-Roubaix-Tourcoing zijn voornamelijk werkzaam bij de spoorwegen en de posterijen, maar er zijn ook vrachtrijders bij, mensen die voor hun beroep reizen of die beroepshalve zijn gewend aan geheimhouding zoals dokters en geestelijken. Vanaf voorjaar 1915 werkt Louise de Bettignies samen met Marie-Léonie Vanhoutte, alias ‘Charlotte Lameron’, met wie ze het netwerk weet uit te breiden in de zomer van 1915 naar Cambrai, Valenciennes en Saint-Quentin.

Van begin af aan worden door de Duitsers strenge strafmaatregelen genomen tegen ‘spionageactiviteiten’. Tijdens de vier oorlogsjaren worden in de Nord 21 personen ter dood veroordeeld en vele andere tot gevangenisstraffen of dwangarbeid.

Eén van de voornaamste slachtoffers is Léon Trulin, een jonge student die een klein inlichtingennetwerk opzet onder de naam ‘Léon 143’ dat zich bij het Comité Jacquet aansluit. Op 8 november 1915 wordt hij op 18-jarige leeftijd gefusilleerd aan de voet van de citadel in Lille. Léon Trulin is op 2 juni 1899 geboren in Ath (België). Het gezin verhuist naar La Madeleine-lez-Lille in 1902. Direct na de Duitse invasie wijkt Trulin uit naar Engeland om dienst te nemen in het Belgische leger, maar wordt geweigerd vanwege zijn jonge leeftijd. Hij wendt zich tot de Britten die hem voorstellen naar bezet gebied terug te keren om een inlichtingennetwerk op te zetten. Dat lukt hem begin 1915 in samenwerking met andere jongelui: Raymond Derain (18 jaar), Marcel Gotti (15 jaar), André Herman (18 jaar), Marcel Lemaire (17 jaar) en Lucien Deswaf (18 jaar). Trulin, die de documenten zelf overbrengt naar Nederland, wordt in de nacht van 3 op 4 oktober 1915 in de buurt van Antwerpen aangehouden met in zijn tas diverse rapporten, foto’s en plattegronden van Duitse militaire installaties. Hij wordt nog dezelfde maand ter dood veroordeeld op beschuldiging van ‘spionage’. In september 1919 wordt Léon Trulin postuum onderscheiden met de Britse oorlogsmedaille en op 30 januari 1920 met het ridderkruis in de orde van het Britse Rijk.

Louise de Bettignies passeert wekelijks de grens tussen België en Nederland om haar rapporten naar de Engelse inlichtingendienst over te brengen. De Duitse contraspionage heeft het op haar gemunt en op 20 oktober 1915 loopt ze in de val in Froyennes, bij Tournai. Ze wordt in de Saint-Gilles-gevangenis in Brussel gevangen gezet en op 19 maart 1916 ter dood veroordeeld. Het vonnis wordt geveld op een moment van hevig internationaal protest tegen de terechtstelling, ook in Brussel, van de Britse verpleegster Edith Cavell en de Belgische verzetsvrouw Gabrielle Petit. Louise de Bettignies krijgt uiteindelijk gratie van gouverneur Von Bissing, die haar straf omzet in levenslange dwangarbeid. Op 21 april 1916 wordt ze gevangen gezet in de burcht van Siegburg. Louise de Bettignies geniet op dat moment al grote bekendheid en aanzien in Frankrijk en in Groot-Brittannië. Op de dag voor haar vertrek naar Siegburg kent Generaal Joffre haar de eervolle vermelding van het Franse leger toe.

De behandeling in de gevangenis van Siegburg is slecht en het wordt er niet beter op als ze haar medegevangenen aanzet om te weigeren voor de Duitsers te werken. Louise de Bettignies overlijdt op 27 september 1918 in het Mariaziekenhuis in Keulen aan de gevolgen van een verwaarloosde pleuritis. Haar stoffelijk overschot wordt in maart 1920 overgebracht naar Lille waar een officiële rouwplechtigheid plaatsvindt. Louise de Bettignies ligt begraven in haar geboortestad Saint-Amand-les-Eaux. Het houten kruis dat in Keulen door de Duitsers op haar graf was gezet staat sinds 1994 in de basiliek van Notre-Dame-de-Lorette.

In Lille staan diverse monumenten ter nagedachtenis aan de Verzetsstrijders van de Eerste Wereldoorlog:
-    het standbeeld van Louise de Bettignies, Boulevard Carnot,
-    het standbeeld van Léon Trulin, aan het begin van de naar hem genoemde straat, niet ver van de Opera,
-    het Monument voor de Gefusilleerden van Lille, beeld van de executie van de leden van het Comité Jacquet aan het begin van de Esplanade.

Door Yves Le Maner,
Directeur van La Coupole,
Centrum voor Geschiedenis en Herinnering van de Nord–Pas-de-Calais

Het Comité Jacquet


Eugène Jacquet – wijnhandelaar, plaatselijk voorzitter van de Bond voor Mensenrechten, socialist, vrijmetselaar en pacifist – sluit zich in 1914 aan bij de politieke eenheidsbeweging Union Sacrée. Hij heeft in Engeland en Amerika gewoond en spreekt vloeiend Engels. Met zijn vrienden Georges Maertens, Ernest Deconinck en de Belg Sylvère Verhulst en met steun van prefect Trépont zet Jacquet een inlichtingennetwerk op en organiseert vluchtroutes uit bezet gebied. Twee textielfabrikanten, de gebroeders Plouvier, geven geldelijke steun, beroepssmokkelaars (Gaston Lécuyer, Léon Vestens en Hyppolyte Cloots) zorgen voor transport en verbindingen en Jean Vandenbosch houdt zich bezig met de inlichtingen.

Het Comité Jacquet komt ten val door de Mapplebeck affaire. In maart 1915 bombardeert een Brits vliegtuig Esquermes, een voorstad van Lille, maar is genoodzaakt te landen in Wattignies. De piloot, Mapplebeck, wordt opgevangen door de organisatie van Jacquet en naar Engeland gerepatrieerd. Als hij de keer daarop weer boven Lille vliegt, strooit hij een brief uit die de spot drijft met gouverneur Von Heinrich. De leden van het netwerk worden verraden door een zekere Richard (die in 1919 tot deportatie wordt veroordeeld) en gearresteerd. De Duitsers ontdekken het logboek van de piloot in de armleuning van een fauteuil. Meer dan 200 mensen worden aangehouden. Jacquet wordt op 21 september 1915 door de militaire rechtbank van Lille ter dood veroordeeld, evenals Verhulst, Maertens en Deconinck. Ze worden de volgende ochtend geëxecuteerd. De andere leden van het Comité worden veroordeeld tot gevangenisstraffen of deportatie.

De illegale pers


Al vanaf oktober 1914 worden geallieerde berichten, uitgezonden vanaf de Eiffeltoren en het Engelse zendstation Poldhu, opgevangen en mondeling doorgegeven door priester Jules Pinte, scheikundeleraar aan de Technische School in Roubaix, samen met een lid van het schoolbestuur Firmin Dubar. In de apotheek van Joseph Willot gaan ze op 1 januari 1915 over tot het stencilen van de berichten in enkele tientallen exemplaren onder de titel ‘Le Journal des occupés ... inoccupés’ (de krant van bezette mensen die niets omhanden hebben).

Op 22 januari 1915 wordt het krantje door Willot, die dienst doet als directeur, hoofdredacteur, drukker en krantenjongen, omgedoopt in ‘La Patience’. De illegale krant verschijnt eerst wekelijks, daarna twee keer per week en omvat zo’n dertig bladzijden van klein formaat. Op 1 maart 1916 heeft het een oplage van duizend exemplaren en krijgt het de naam ‘L’Oiseau de France’.

Maar op 21 oktober wordt eerwaarde Pinte opgepakt. Joseph Willot neemt het voor hem op in ‘La Voix de la Patrie’, maar wordt op zijn beurt op 19 december samen met zijn vrouw gearresteerd, evenals Firmin Dubar en hun medewerkers. Mevrouw Willot overlijdt in de gevangenis, de anderen worden op 17 april 1917 veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf en geïnterneerd in Rheinbach in Duitsland. Als ze na de wapenstilstand vrijkomen, keren ze uitgeput naar Frankrijk terug. Joseph Willot overlijdt aan de gevolgen van zijn gevangenschap op 1 april 1919.


Door Claudine Wallart,
hoofdconservatrice Erfgoed in de
Departementale Archieven van de Nord