Dwangarbeid, Gijzeling en deportatie

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Dwangarbeid


Nadat Duitsland in 1914 op grote schaal is gemobiliseerd, worden al vrij snel 740.000 arbeiders van het front – en dus uit de gevechtseenheden – teruggeroepen om de fabrieksproductie op gang te houden. Ook vrouwen en kinderen worden opgeroepen om mee te werken aan de oorlog. In tegenstelling tot Groot-Brittannië en Frankrijk kan Duitsland geen beroep doen op aanvoer van arbeidskrachten uit koloniën en zet dus uit noodzaak de bevolking uit de bezette gebieden in.

Aanvankelijk gaat het om vrijwillige arbeid en worden werknemers gerekruteerd tegen loon, gratis onderdak en gratis kleding. Maar er zijn nauwelijks vrijwilligers. In Le Quesnoy komt op 12 december 1914 maar dertig man opdagen, ondanks het vooruitzicht op een hoger loon dan het gemiddelde.

De Duitsers gaan in bezet gebied dus over tot verplichte tewerkstelling. Op verordening van het Algemene Hoofdkwartier wordt een telling gehouden van alle mobiliseerbare mannen tussen de 17 en 55 jaar. Ze worden als krijgsgevangene beschouwd en verplicht te werk gesteld. Op weigeren staat drie jaar gevangenisstraf en een boete van 10.000 Reichsmark. Aanvankelijk worden ze opgeroepen voor losse karweien, maar al snel wordt het vaste arbeid. Ze werken in ploegen in de landbouw, in fabrieken, voor verdedigingswerken, graafwerk en herstel van spoorlijnen.

Dat kan soms vlak achter het front zijn, waarvoor ze dan het ‘vrijwillige’ karakter van hun werkzaamheden moeten ondertekenen. Weigeraars worden zonder pardon ingezet in strafbataljons en zijn herkenbaar aan de rode band om hun linkerarm. Ook vrouwen worden ingezet voor diverse werkzaamheden: in de huishouding, in fabrieken of op het land. Geëvacueerden uit het frontgebied worden ingezet in landbouw- en arbeiderskolonies in bezet Frankrijk of in Duitsland.

Gijzeling en deportatie

Geheel in strijd met de ‘oorlogswetten’ van de Conventie van Den Haag stelt het Duitse leger in de bezette gebieden groepen gijzelaars samen om de bevolking onder de duim te houden en hen te weerhouden van sabotagedaden tegen het leger, zoals het schieten op soldaten of doorsnijden van telefoonlijnen. Het zijn voornamelijk notabelen en politici die als gijzelaar worden aangewezen. Aan het begin van de bezetting van Lille moeten de burgemeester en de prefect zestig gijzelaars aanwijzen. Ze worden in zes groepen verdeeld, die om de beurt in de Citadel moeten overnachten.

Op ieder strafbaar feit volgen meteen represailles. Burgers worden gedeporteerd naar Duitse kampen als Rastatt en Güstrow, waar ze een mager rantsoen krijgen (surrogaatkoffie, rijst, macaroni of koolraap, soms zuurkool of aardappelen met een stukje kaas of bokking). Ze werken in de landbouw of in fabrieken, vrouwen worden ingezet bij de intendance. Sommige gijzelaars worden gevangen gezet op strategische plaatsen, bijvoorbeeld op vliegvelden waar ze als menselijk schild dienen.

In juli 1915 doet zich het ‘tassenincident’ voor: als arbeiders uit de streek rond Lille weigeren om tassen te maken voor de Duitse soldaten in de loopgraven, worden 30 inwoners van Lille als gijzelaar in de Citadel vastgezet en 131 anderen uit de streek naar Duitsland gedeporteerd. Ook gebruikt de bezetter de gijzelingen om gemeentes op de knieën te krijgen die weigeren oorlogsbijdragen te leveren of buitensporige boetes te betalen.

Eind 1916 en begin 1918 gaan de Duitsers over tot twee massale deportaties van gijzelaars – enige honderden – naar Duitsland. Zodra de Franse troepen in 1914 de Elzas binnentrekken, interneren ze alle Duitse ambtenaren en hun gezinnen, gestationeerd in plaatsen onder controle van het Franse leger, in Frankrijk. Kort na de oorlogsverklaring worden de Duitsers die in Frankrijk wonen – ambtenaren, kaderpersoneel uit handel en industrie, studenten en vrije beroepen – gevangen gezet in concentratiekampen in Frankrijk en Algerije.

Gedurende de hele oorlog onderhandelen beide regeringen over het lot van de geïnterneerde Duitsers. Om de Franse regering tot concessies te dwingen, besluiten de Duitsers in november 1916 om 300 mannen en vrouwen uit de Nord te deporteren. Ze behoren tot dezelfde beroepsgroepen als de in Frankrijk gevangen gehouden Duitsers: vooraanstaande industriëlen (Faucheur, Leblanc, Motte, Prouvost en Tiberghien), politici (Gustave Delory, burgemeester en parlementslid), juristen, advocaten, hoge ambtenaren (Gimat, raadslid van de Prefectuur, en Droz, onderprefect van Douai) en artsen (Dr. Carlier, hoogleraar aan de universiteit).

De gijzelaars worden geïnterneerd in een kamp aan de rand van Holzminden, een stadje van 10.000 zielen in het hertogdom Brunswijk. Het kamp biedt plaats voor 10.000 civiele gedetineerden. Na de oorlogsverklaring worden de ingezetenen van geallieerde landen er als eersten gevangen gezet, evenals een aantal ongewenste Duitse burgers. Het kamp omvat een kleine honderd barakken van hout, omheind door een twee meter hoge afrastering met wachttorens. De gijzelaars zijn van de buitenwereld afgesloten en ondergaan allerlei vernederingen.

Ze lijden onder kou, slecht voedsel en ongedierte. Ze mogen wel post en voedselpakketten ontvangen uit Frankrijk en kunnen buiten het kamp spullen kopen om hun situatie enigszins te verlichten. Ze beschikken over een bibliotheek, een kapel en een universiteit, ze mogen naar concerten luisteren en feestavonden organiseren. Een fotograaf die binnen het kamp een winkeltje heeft onder de naam ‘Au Violon’, neemt foto’s van de geïnterneerden en van het dagelijks leven in het kamp. Veel van deze foto’s zijn bewaard gebleven in de Departementale Archieven van het departement de Nord. Nadat de aanzet tot een akkoord tussen de Franse en de Duitse regering is getekend, wordt een eerste groep gijzelaars na zes maanden gevangenschap in 1917 gerepatrieerd (naar bezet gebied).

Als de onderhandelingen opnieuw vastlopen, gaan de Duitsers in januari 1918 over tot een tweede massale deportatie. Deze keer worden 600 gijzelaars gedeporteerd, de vrouwen naar Holzminden, de mannen naar Litouwen. De levensomstandigheden in Holzminden zijn behoorlijk verslechterd. De gevangenen klagen over gebrek aan hygiëne, urenlang in de regen op appel staan, gebrek aan voedsel en diefstal van postpakketten.

Dokter Calmette, wiens vrouw Emilie deel uitmaakt van de gijzelaars, schrijft: “ze is in zeer slechte gezondheid teruggekomen, ze woog niet meer dan 42 kilo terwijl ze normaal 57 weegt”. Irma Dusart, de vrouw van een industrieel uit Jeumont, beschrijft een internering “zonder arts, zonder drinkwater, zonder ziekenboeg; opgesloten van 5 uur ’s avonds tot 6 uur ’s ochtends in een barak zonder licht, zonder kachel, vol ongedierte.

Kou, honger en opgepropt in dezelfde barakken als de hoeren”. De deportatie naar Litouwen voor de mannen – vaak al op leeftijd – is nog veel zwaarder. Na een reis van zes dagen en zeven nachten, staand, midden in de winter in onverwarmde wagons, komen de mannen in Jewie, Milejgany en Roon terecht in noodkampen, opgezet in verwoeste Russische kerken, schuren of koeienstallen. De omstandigheden zijn erbarmelijk: geen verwarming, britsen van houten latten met een dunne strozak erop, urenlang buiten op appel staan bij twintig graden onder nul, ziek of niet ziek; geen drinkwater, geen medicijnen en erbarmelijk voedsel. Georges Lehoucq uit Roubaix getuigt: “door de honger kwam het tot ondraaglijke toestanden. De meeste mensen wierpen zich op hun kommetje magere soep en schrokten hun brood naar binnen. Sommigen likten zelfs de druppels soep op van de vuile tafels en veegden de paar kruimeltjes die er na het eten nog lagen, bij elkaar”. De gijzelaars moeten sneeuw ruimen in de bossen, bomen omhakken en hout zagen.

Er heerst strenge discipline, de geringste overtreding wordt bestraft met nog meer vernederende karweien. 26 gijzelaars vinden de dood in Litouwen, van de kou, van de honger, door gebrek aan medische zorg of aangevreten door ratten.

Op 17 maart 1918 worden door tussenkomst van een Spaanse delegatie de bejaarden van ouder dan 70 jaar en de zieken naar Frankrijk gerepatrieerd. Alle anderen moeten wachten tot de Frans-Duitse akkoorden van 26 april 1918 en worden pas tussen juli en september 1918 gerepatrieerd. Ze komen in Frankrijk terug na een kort verblijf in het kamp van Rastatt of Holzminden, dat hun, vergeleken met de Litouwse kampen, idyllisch voorkomt.

Door Claudine Wallart,
hoofdconservatrice Erfgoed in de
Departementale Archieven van de Nord