Inhoud

Vergelijkbare plaatsen

Samuel Dhote
Gare de Lens

Trefwoorden

- Lens - Loos

De bevolking van de Mijnstreek onder het Duitse juk

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Vanaf half oktober 1914 staat tweederde van het mijngebied van de Nord - Pas-de-Calais onder controle van het Duitse leger. Tot aan het eind van de oorlog in 1918 wordt de regio economisch compleet geplunderd en komt de burgerbevolking onder een zowel militair als bestuurlijk terreurbewind te staan. Al meteen in 1914 is de inval van de Duitse troepen een harde schok voor de achtergebleven inwoners. Talrijke getuigen maken melding van machtsmisbruik, intimidatie en wreedheden van de kant van de bezetter, de systematische gijzelingen van burgers zijn slechts een voorbeeld.

De meest ernstige vormen van machtsmisbruik (diefstal, plundering en verkrachting) doen zich al meteen voor bij de invasie van 1914, waarbij diverse burgerslachtoffers vallen. Als de Duitsers op 4 oktober in Pont-à-Vendin aankomen, executeren ze meteen een jongen van 17 jaar, verdacht van vuren op Duitse soldaten. Het stadhuis wordt in brand gestoken, evenals 54 woonhuizen. In Loos-en-Gohelle worden vier inwoners, onder wie drie bejaarden, door de Duitsers doodgeschoten. “De Duitsers hebben een mijnwerker aan een boom vastgebonden, aldus de pastoor, en de volgende ochtend dwongen ze hem het graf voor de geëxecuteerden te graven”. Drie inwoners van Lens worden gefusilleerd op de rand van de mijnschachten 15 en 15bis.

Al tijdens de eerste bezettingsweken ondergaan de steden in de Mijnstreek hetzelfde lot als de meeste bezette steden en krijgen hoge boetes opgelegd door de Duitsers bij wijze van oorlogsbijdrage. Ook in de verdere bezettingstijd komen deze vaak zware heffingen regelmatig voor. De stad Lens bijvoorbeeld moet in 1915 om de drie maanden 9.000 frank aan de bezetter betalen. Ook de mijnbouwmaatschappijen worden ‘belast’, bijvoorbeeld in Courrières waar de exploitatiemaatschappij een boete van zes miljoen frank aan de Duitsers moet betalen.

De burgerbevolking heeft geen andere keus dan zich te voegen naar allerlei reglementen die onophoudelijk door de plaatselijke Kommandanturen worden uitgevaardigd, op straffe van represailles die uiteenlopen van een boete tot de doodstraf. Zo wordt Paul Bussière, een mijnwerker uit Liévin, aangehouden in het bezit van een duif, terwijl het strikt verboden is duiven te houden uit vrees voor spionage. Hij wordt op 23 augustus 1915 gefusilleerd.

In het bezette gebied vlak achter het front worden burgers ingezet om wegen te herstellen en geulen te graven, ongeacht de risico’s die ze lopen onder ‘vijandelijk’ vuur en geschut, volledig in strijd met alle internationale verdragen. In de hele streek hebben de bewoners te maken met een spertijd, moeten ze een speciale vergunning aanvragen (tegen betaling) om zich te verplaatsen en de meest uiteenlopende verplichtingen en regels nakomen. Sommige regels stellen niet veel voor zoals ‘vegen van straten en trottoirs’, ‘verbod veertien juli te vieren’ of ‘Duitse officieren salueren’. Maar er zijn ook strengere maatregelen (dwangarbeid, evacuatie) en vernederingen, zoals een verplicht ‘intiem lichamelijk’ onderzoek voor mannen tussen de 15 en 55 jaar in Lens in 1916. Ondanks hun leeftijd ontkomen ook scholieren niet aan een aantal karweien, zoals het verzamelen van rozenbottelzaad, brandnetels en conservenblikken voor de bezetter.

Naast het uiterst strenge bezettingsbewind heeft de bevolking van de Mijnstreek ook te kampen met enorme problemen om aan voldoende voedsel te komen. De bezetter vordert constant van alles voor eigen gebruik - “de hele oogst, hooi, graan, aardappelen en groenten, wordt door de bezetter in beslag genomen” (Noyelles-Godault, juli 1915) – wat het voedseltekort versterkt. Bovendien worden de producten zelden naar waarde vergoed.

Tot hun verontwaardiging krijgen de bewoners van Liévin als vergoeding Duitse waardebonnen met de ironische opdruk ‘na de oorlog inwisselbaar voor contanten in Berlijn’. Ook al blijft de voedselvoorziening voor de burgerbevolking zorgwekkend, er komt toch enige ‘verlichting’ dankzij de hulp van het ‘Spaans-Amerikaans Hulpcomité’ (de Amerikaanse Commissie voor Hulp aan België en het Spaans-Nederlands Comiteit) en de ruimere bevoegdheden van de gemeentes. Er komen plaatselijke hulpcomités en gemeentes delen bonnen uit aan de bevolking. In Loos-en-Gohelle wordt een gemeentelijke bakkerij opgezet, die vanaf april 1915 drie keer per week brood en andere levensmiddelen verstrekt. Niet alleen in Lens zelf, maar ook in de omliggende gemeentes neemt burgemeester Emile Basly de zaken in handen en krijgen de inwoners dagelijks 500 gram brood en om de twee weken een pond spek en reuzel van het Spaans-Amerikaans Comité. De voedselhulp van het comité wordt grotendeels in Carvin gecentraliseerd en naar de gemeentes van de Mijnstreek vervoerd per binnenschip over de Deûle of per konvooi.

Kleine winkeliers die hun winkel draaiende hebben kunnen houden, dienen regelmatig een aanvraag in bij de Duitse autoriteiten voor een vergunning om op de markten van Douai in te kunnen kopen. De winkelprijzen blijven helaas te hoog voor het merendeel van de arbeidersbevolking. De Duitse troepen worden aanvankelijk wel regelmatig bevoorraad, maar vanaf voorjaar 1916 beginnen ze ook zelf te lijden onder de algemene voedselcrisis. “Voorraden verminderen snel, er is bijna geen vlees meer voor de manschappen, weinig of geen suiker en koffie meer en per dag een brood van een kilo voor 4 mannen (...). In de winter van 1916-1917 worden aanplakbiljetten gemaakt om soldaten aan te sporen niets meer aan de burgerbevolking te geven en om broodresten te gebruiken als paardenvoer...”.

De vier oorlogsjaren zijn al met al bijzonder zwaar geweest voor de bevolking van de Mijnstreek, geïsoleerd, op rantsoen en onder het strenge juk van de bezetter, temeer daar de bevrijding in 1918 en de beëindiging van de vijandelijkheden nog geen eind maken aan de zware tijden. Veel inwoners die tijdens de geallieerde offensieven van 1917 en 1918 zijn geëvacueerd, komen terug in verwoeste dorpen en steden, waar mijninstallaties door de bezetter systematisch gesaboteerd zijn alvorens de aftocht te blazen.


Door Yann Hodicq, lid van de
Departementale Commissie voor
Historie en Archeologie van de Pas-de-Calais