Inhoud

Vergelijkbare plaatsen

Anne-Sophie Flament
Statue du Mar

Trefwoorden

- 1916 - 1918 - Haig - Montreuil-sur-Mer

Montreuil-sur-Mer, het kloppende hart van het Britse leger op het westfront

ImprimerTwitterFacebookGoogle+



Aankomst in Montreuil

Het Britse hoofdkwartier installeert zich in 1914 in Saint-Omer maar wordt in maart 1916 overgebracht naar Montreuil. Deze verhuizing, nauwkeurig uitgewerkt door het Britse militaire gezag, is een logisch antwoord op de strategische behoeften in verband met de evolutie van de oorlog en de uitbreiding van het Britse front vanaf 1916. De keuze van de Britten valt op de stad Montreuil om diverse aantrekkelijke aspecten van de stad en de onmiddellijke omgeving. De stad heeft ten eerste een ideale geografische ligging die het mogelijk maakt om in verbinding te staan met alle Britse infrastructuren op Franse bodem (havenbases, trainings- en garnizoenskampen, opslagruimtes, …).

De stad ligt op een billijke afstand van het front en halverwege de twee geallieerde hoofdsteden Parijs en Londen. Montreuil beschikt verder over voldoende accommodatie in de vorm van de enorme gebouwen van de voorbereidende militaire school waar de afdelingen van het hoofdkwartier zich installeren. Behalve de al massale militaire aanwezigheid te versterken in het arrondissement en de regio bombardeert de komst van het hoofdkwartier in Montreuil in 1916 het vredige vestingstadje tot militaire hoofdstad in de geschiedenis van de eerste oorlog op wereldniveau.


Knooppunt van Britse legers

Ook al worden in Montreuil beslissingen genomen rond strategische koersen betreffende het slagveld, de rol van het hoofdkwartier beslaat ook andere velden. Het hoofdkwartier is door zijn talloze afdelingen ook belast met het waarborgen en coördineren van de materiële voorzieningen van de Britse strijdkrachten op Franse bodem. Een van de talloze officieren herinnert zich: “Het hoofdkwartier hield zich bezig met de aanvoer van uitrusting en gerei uit Engeland en hield toezicht op alle vervoersnetwerken (…) en nam constant besluiten over de aanleg van nieuwe wegen…”.

Het hoofdkwartier van Montreuil is een gigantische overheidsinstelling, onderverdeeld in vijf administratieve afdelingen met veel en gevarieerd militair personeel, van de eenvoudige soldaat tot de hogere officier. Aan het hoofd van het hoofdkwartier staat de leider maarschalk Haig, opperbevelhebber van het Britse leger.


Brits opperbevelhebber

Maarschalk Haig is de opvolger van maarschalk French in het opperbevel. Hij behoudt deze prestigieuze plaats tot het eind van de oorlog. Tijdens zijn periode in het hoofdkwartier van Montreuil woont Haig met zijn naasten in het kasteel van Beaurepaire op enkele kilometers van de stad. Hij leidt er een uiterst geregeld leven en verdeelt zijn tijd over vergaderingen en conferenties van het opperbevel, de ontvangst van bijzondere gasten, onophoudelijk reizen tussen Londen en Parijs en bezoeken aan het front. Hij is uitzonderlijk discreet en vertoont zich zelden in het openbaar, behalve op zondag als hij de mis bijwoont in de ‘Scottish Churches’ Hut’. Altijd vergezeld van zijn privé-escorte, zelfs tijdens zijn ritten te paard in de omgeving van Montreuil.

Maarschalk Haig, zijn karakter en zijn initiatieven tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn nog altijd onderwerpen van gesprek in de Britse historiografische debatten. Door trouwe aanhangers nog altijd gewaardeerd om zijn kwaliteiten als strateeg en door critici verafschuwd vanwege zijn ‘onmenselijke gezag’ blijft Maarschalk Haig volgens Brits historicus J.M. Winter “een van de meest omstreden figuren uit de Britse militaire historie”.



Burgers en militairen op het hoofdkwartier

 

Zware ontberingen


Met de komst van het hoofdkwartier begint voor de burgerij de tijd van beperkende maatregelen. Het bezoeken van cafés en kroegen staat onder zeer strenge controle voor zowel burgers als militairen. Circuleren in de stad mag tussen 5 uur ’s ochtends en 10 uur ’s avonds. Tussen 10 uur ’s avonds en 5 uur ’s ochtends is het absolute spertijd en heeft niemand zich buitenshuis te wagen. De straatverlichting wordt gedoofd en woningen dienen volstrekt verduisterd te zijn. Vanaf 1916 begint ook de schaarste van voeding en steenkool voelbaar te worden.

De inwoners van Montreuil maken evenals hun landgenoten elders mee dat de prijzen van primaire levensmiddelen zoals vlees, boter, suiker en brood op de marktkraampjes ongekende hoogtes bereiken. Het gebrek aan deze producten wekt de begeerte van ‘profiteurs’ op die het burgerlijk gezag vanaf 1917 probeert in te perken door een stadscomité voor levensmiddelen in te stellen. Dit comité moet de voorraden beheren die tegen inkoopsprijs aan de bevolking verkocht worden, weliswaar met een kleine toeslag voor de onkosten.


De Tommy in Montreuil

Het Britse militaire personeel van het hoofdkwartier is gehuisvest in en rond de stad. De generaals nemen hun intrek in kastelen in de omliggende gemeentes. Gewone officieren en onderofficieren kwartieren in bij particulieren of met hun manschappen in kazernes in en rond de stad. De meeste Tommies die in Montreuil op het hoofdkwartier werkten, houden een uitmuntende herinnering aan Montreuil als een schilderachtig stadje omgeven door een opmerkelijke natuur. Soldaat H. Spring: “In vergelijking met Rouen was Montreuil veel mooier en fleuriger”. Een officier van de Honourable Artillery Company verklaart: “Montreuil was een aangename plek en de soldaten waren er veel gelukkiger dan in Blendecques (Blendeke)”.

Als de Britse soldaat niet werkt of de wacht houdt, beschikt hij over vrije tijd die hij kan besteden aan sport (tennis, voetbal, rolschaatsen, zwemmen) of ontspanning (vissen, schilderen, tekenen, film en theater). Ze beschikken zelfs over een militair tehuis – een initiatief van een aalmoezenier van het hoofdkwartier – indien de soldaten behoefte hebben aan morele steun en waar ze elke zondag de mis kunnen volgen. Officieren hebben hun eigen ruimte onder de overkapping bij de kleuterschool in de Rue du Paon. Deze officiersclub is een kosmopolitische plaats met een uitmuntende reputatie in de rangen van de geallieerde legers, vooral vanwege zijn uitgebreide kelder.


Frans-Britse vehoudingen

De verhoudingen tussen de Britse militairen en de burgerbevolking, evenals die tussen het stadsbestuur en het gezag van het hoofdkwartier, geven de indruk van een vriendelijke, welgemeende verstandhouding tussen beide gemeenschappen. Het Britse leger heeft middels caritatieve en edelmoedige acties ten goede van de burgerbevolking van Montreuil en vluchtelingen het hart van menig inwoner van Montreuil weten te stelen tijdens de oorlog. Al gauw ontstonden liefdesbanden tussen Franse meisjes en Tommies of oprechte vriendschapsbanden, allen bewijzen van de goede integratie van de militairen in de stad. Dit verhult echter niet de bestaande frictiepunten tussen militairen en burgers. Bij de problemen van opgelegde beperkingen voor burgers komen nog de talloze geschillen tussen Fransen en Britten op het gebied van vorderingen en schadeloosstelling. De handel in alcohol en vooral die in vrouwelijke charmes zijn bronnen van spanningen tijdens de hele oorlog.



Eind van de oorlog en terug naar de anonimiteit

 

De angst in voorjaar 1918

Het Duitse offensief van maart 1918 veroorzaakt wederom een massale vlucht van de burgerbevolking. Vanaf april stroomt Montreuil vol met vluchtelingen, zoals in 1914. In mei 1918 telt het alleen al het kanton van Montreuil ongeveer 20.500 vluchtelingen. De ziekenhuizen vullen zich snel door de massale toestroom van wanhopige burgers. Bovendien breken er tegelijkertijd zware griep-, mazelen- en dysenterie-epidemieën uit. Het moreel van de burgerbevolking bereikt een zeer laag punt en er ontstaat een waas van paniek door de verspreiding van alarmerende geruchten. “Er wordt rondgebazuind dat Arras ingenomen is, Saint-Pol in puin ligt en dat de Duitsers onze linies doorbroken hebben” kan de onderprefect alleen nog maar constateren op 30 maart 1918.

Dit psychologische trauma versterkt zich tijdens het eerste luchtbombardement op Montreuil op 31 mei 1918. De Duitse bommen veroorzaken wat materiële schade en één militair slachtoffer, sergeant Coolie. Het hoofdkwartier is nogmaals het doelwit op 21 augustus 1918 rond 22.30 uur, dit keer sneuvelen twee militairen: de Britse korporaal Benson en de Franse luitenant De Hees.

De vreugde van de bevrijding

Het geallieerde tegenoffensief van zomer 1918 brengt een geweldige kentering teweeg in het moreel van de inwoners van Montreuil. Het is gedaan met het pessimisme en de paniek. De onderprefect waarschuwt zelfs voor ‘overmatig optimisme’. “Het moreel heeft nog nooit zo hoog gestaan” schrijft hij op 24 juli 1918. Dit tegenoffensief leidt de geallieerden naar de overwinning. Op 11 november 1918 is Montreuil één feestende massa van burgers en militairen, allen bevangen door hetzelfde onbeschrijfelijke enthousiasme. Enkele weken later, op 27 november, maakt koning George V – in gezelschap van generaal Haig – een zegetocht door Montreuil alvorens naar Parijs af te reizen. Ondanks de vreugde van de overwinning kunnen militairen en burgers de vier jaren van strijd, ontzegging, ongerustheid en lijden echter niet vergeten. Montreuil betreurt zijn 126 soldaten die hun leven lieten en nooit terugkeerden van de Eerste Wereldoorlog.


Het vertrek van de Britse gasten

Het hoofdkwartier verhuist begin 1919. Het Britse leger verhuist in enkele weken dossiers en archieven en verwijdert met behulp van Duitse krijgsgevangenen de meeste telefoon- en telegraaflijnen en talloze prefabgebouwen die opgetrokken waren tijdens de aanwezigheid van het hoofdkwartier in de stad.

Begin april 1919 wordt op initiatief van het Britse militaire gezag samen met de stad een plechtigheid georganiseerd. Tijdens de receptie begroet maarschalk Haig persoonlijk voor het laatst de inwoners van Montreuil voordat hij definitief op 5 april 1919 naar Engeland vertrekt. De kranten, inmiddels vrij van censuur, verhullen onder geen beding de algemene opluchting van de burgers, inmiddels vrij van ontberingen. Het dagblad Le Journal de Montreuil erkent echter ook met veel objectiviteit dat ‘de Britten aardig wat geld uitgaven in de streek: veel winkeliers en boeren hebben aan hen hun fortuin te danken’.


Yann HODICQ,
lid van de Departementale Commissie voor Historie en Archeologie
van de Pas-de-Calais