Inhoud

Vergelijkbare plaatsen

Eric Lebrun
H

Trefwoorden

- 1917 - Arras

De pogingen om bouwkundig, cultureel en streekgebonden erfgoed tijdens de oorlog te beschermen

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Tussen 1914 en 1918 lijdt het regionale erfgoed zwaar. Al vanaf de eerste oorlogsmaanden verwoesten gewelddadige artilleriebombardementen veel dorpen en steden op en bij het front. De stad Arras in de Pas-de-Calais is hiervan een sterk voorbeeld, evenals Ieper, Reims en Amiens. Arras verliest het grootste deel van zijn monumenten, met name de historische pleinen en de kathedraal. Dezelfde bombardementen vernietigen in juli 1915 door brand definitief een stuk collectieve herinnering in de vorm van de departementale archieven die ontelbare middeleeuwse manuscripten en oorkondes bevatten. Het erfgoed van kleinere gemeentes blijft niet onbespaard. Talloze kerken met de meest fraaie glas-in-loodramen, beelden, meubels en andere religieuze voorwerpen worden verwoest. Kortom, aan het eind van de oorlog zijn 14% van de kerken in de kantons van Vimy en Vitry-en-Artois volledig verwoest en 18% in het kanton van Croisilles.

Tegenover een dergelijke slachting en onder druk van enkele fanatieke monumentenverdedigers begint de Franse overheid vanaf 1916 te zoeken naar een gepast beleid om de resterende monumenten te redden of te beschermen. Zo besluit de minster van Oorlog, in overeenstemming met het bestuur voor Schone Kunsten, in mei 1917 tot de oprichting van de ‘overkoepelende organisatie ter bescherming van monumenten, het behoud en de evacuatie van kunstvoorwerpen’. De noordelijke afdeling beslaat de departementen Nord, Pas-de-Calais en Somme en wordt beheerd door de aan het Britse leger geattacheerde Franse Militaire Missie (MMF). Er wordt een team samengesteld van vakkundige arbeiders die onder bevel staan van een officier en dat de naam ‘Dienst voor de bescherming van kunstwerken’ draagt.

De kunstvoorwerpen die uit het puin van Arras herrijzen, vinden onderdak in het oude Paleis Saint-Vaast. De keuze van deze plek is vrij verrassend. Niet vanwege het gebouw dat al een vooroorlogs museum huisvest, maar meer vanwege de nabijheid in die dagen van de eerste linies van het Duitse front. Een Franse soldaat herinnert zich dat “de kelders [van het Paleis St-Vaast] beschermd zijn tegen de dagelijkse bombardementen door dikke wallen van aarde en stenen die hen op een burcht doen lijken en steeds meer geredde kunstschatten uit de stad en buitenwijken herbergen. Beelden, schilderijen, edelsmeedkunst, zeldzame voorwerpen en breekbaar porselein, fragmenten van bewerkte stenen en hout - allen met elkaar verbonden door hun gemeenschappelijke ellende - worden er ondergebracht en vormen al gauw een ware schat”.

In de loop van de maanden ontwikkelen de mannen van de Dienst voor de bescherming van kunstwerken degelijke reddingstechnieken om de bedreigde voorwerpen te evacueren. De mannen worden regelmatig naar gemeentes aan het front gestuurd. De toename van Duitse luchtaanvallen op geallieerde achterhoedebases in 1917 en 1918 breidt het werkterrein van de beschermingsdienst danig uit. Het komt steeds vaker voor dat ze in gebieden in het achterland werken die ver van het strijdgewoel liggen. Het meest markante voorbeeld is misschien wel het beeld van de Burgers van Calais – gemaakt door Rodin – dat uit veiligheidsoverwegingen in de kelders van het stadhuis van Calais is ondergebracht. Er bestaan twee reddingstechnieken, afhankelijk van de geografische ligging en de aard van het te redden kunstwerk (van klein voorwerp tot gotische kerkgevel): evacuatie of ter plekke te bepalen reddingsmaatregelen. De evacuatie naar veilige opslagplaatsen is uiteraard alleen maar mogelijk voor makkelijk te vervoeren, kleine voorwerpen als beelden, schilderijen of goud- en zilverwerk.

Het verwijderen is onderworpen aan strenge regels: ‘Het team gaat te werk als ziekendragers, vaak met dezelfde middelen en in dezelfde omstandigheden. Als het lijdende kunstwerk gelokaliseerd is, lichten de mannen het op of ze verzamelen de losse stukken en vervoeren deze met de grootste zorg naar het dichtstbijzijnde depot. Daar wordt de eerste hulp verleend en gaat het kunstwerk naar een opslagplaats in het achterland’. Elk voorwerp wordt nauwkeurig gefotografeerd, geïnventariseerd en opgeslagen.

Gebouwen kunnen echter niet verplaatst worden. Hier bestaat de beschermingsmethode uit het bekisten van de meest bijzondere delen van het gebouw. Een skelet van hout, opgevuld met zandzakken, nog steeds volgens strikte regels. In de kathedraal van Saint-Omer worden op deze wijze de graven van de bisschoppen van Arras en Thérouanne (13e eeuw) beschermd en de talloze bewerkte ex voto’s uit de veertiende en zeventiende eeuw.


Yann Hodicq,
lid van de Departementale Commissie voor Historie en Archeologie
van de Pas-de-Calais