De militaire presentie langs de kust van de Nord–Pas de Calais

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Op 12 augustus 1914 meert generaal French, commandant van het Britse Expeditieleger (British Expeditionary Force), aan in de haven van Boulogne-sur-Mer met een deel van zijn troepen. Dit evenement maakt de deelname van Groot-Brittannië aan de oorlog concreet en luidt het begin in van de Britse militaire aanwezigheid in de streek. De vestiging van Britse troepen langs de kust van de Nord-Pas de Calais in de loop van de oorlog is gebaseerd op drie logische principes.

Ten eerste: het onmiddellijke karakter. De geografische ligging van de Opaalkust ten opzichte van Engeland verklaart dat de belangrijkste havens langs dit stuk kust vanaf augustus 1914 als invalsbasis fungeren en onderdak bieden aan de Britse troepen. Op 22 september 1914 meldt een rapport van de onderprefect van Duinkerken de aanwezigheid van de Britse minister van Marine in de wijk Jean Bart, een zekere Winston Churchill.

Ten tweede: het langdurige karakter. De vestiging van de Britten aan de Franse kust begint in 1914 aan de Opaalkust. De laatste Tommies vertrekken lang na de capitulatie in november 1918. De laatste Britse legerkampementen langs de kust worden pas in de loop van 1920 ontruimd.

Ten derde, maar niet het minst belangrijk: het massale karakter. In 1914 bestaan de Britse legereenheden langs de kust uit relatief weinig manschappen. Dit aantal groeit echter snel als de oorlog eenmaal goed op gang is. De talloze gemeentes langs de kust met één of zelfs meerdere militaire structuren zijn de eerste getuigen van het fenomeen. Tussen 1914 en 1916 reizen 1.700.000 Tommies via het station van Boulogne-sur-Mer. In een helaas ongedateerd Frans rapport wordt de aanwezigheid van 1.226 officieren en 70.000 soldaten in de stad Boulogne geconstateerd. In de loop van zomer 1918 verzamelt alleen de Britse militaire zone van Calais al 2.024 officieren en 90.189 soldaten. Op dit gebied mag het kamp van Etaples natuurlijk niet verzwegen worden, dat beschouwd wordt als het grootste Britse legerkamp van het westfront en waar in 1917 rond 100.000 soldaten geteld worden.

De Britse militaire logistiek langs de kust concentreert zich rond de drie belangrijkste havens: Boulogne, Calais en Duinkerken. Tussen november 1916 en juni 1917 staan deze drie havens voor 43% van de Britse invoer in Frankrijk. Er worden talloze veldhospitalen ingericht om de gewonde strijders te verzorgen, waaronder de soldaten die door hun ernstige verwondingen niet naar het vaderland vervoerd kunnen worden. Wimereux, Boulogne en Etaples behoren tot de grootste sanitaire zones. Etaples beschikt over een twintigtal hospitalen met een totaal van 20.000 bedden.

Geleidelijk aan vult de kustlijn zich ook met opslagruimtes voor proviand, wapens en munitie. De kustlijn vormt door zijn geografische ligging een ware bufferzone tussen Engeland en Frankrijk en maakt de snelle aanvoer van troepen en bevoorrading naar de gevechtszones mogelijk. De verbinding tussen de Britse achterhoede en het front verloopt via wegen en vaker nog via spoorwegen. De rol van de stations van Saint-Pol-sur-Ternoise en Hazebrouck als belangrijke knooppunten voor de aanvoer van soldaten, wapens en proviand in het gebied Artois - Vlaanderen moet terdege vermeld worden.

Uiteraard is de kust van de Nord-Pas de Calais gezien het aanzienlijke logistieke belang een doelwit voor de Duitsers en valt als zodanig onder de constante bewaking van het Britse opperbevel. In een in maart 1917 geschreven rapport aan de Franse opperbevelhebber Robert Nivelle wordt vermeld dat ‘het Britse opperbevel de overtuiging heeft dat de vijand een grootschalig offensief zal uitvoeren op de omgeving van Duinkerken, Calais en Boulogne - van absoluut vitaal belang voor het Britse leger’. Vanaf 1916 worden sporadisch enkele vijandige verkenningsvluchten (in vliegtuig of zeppelin) boven de Opaalkust waargenomen. Maar pas in 1918 nemen de Duitse bommenwerpers de door de Britten gebruikte infrastructuren serieus onder handen. Munitiedepots, spoorbruggen, kades, stations, spoorwegen zijn regelmatig het doelwit van nachtelijke luchtaanvallen van de Duitse luchtmacht.


Yann Hodicq,
lid van de Departementale Commissie voor Historie en Archeologie
van de Pas-de-Calais