De exploitatie van de bossen in Noord-Frankrijk door het Britse leger

ImprimerTwitterFacebookGoogle+

Een minder bekend, maar niet minder belangrijk aspect uit de Eerste Wereldoorlog is de exploitatie van de bossen door de legers. Als heel snel vergt de positieoorlog grote hoeveelheden hout voor de inrichting van het front. Palen, vlonders, stutten, planken, balken zijn nodig voor de bouw van versterkingen, schuilbunkers en tunnels. Aan Britse zijde wordt de behoefte aan hout zo groot dat de invoer van hout uit Scandinavië, toen hun belangrijkste leverancier, al snel onvoldoende blijkt om de oorlogsmachine te voeden. De onderzeebotenoorlog die vanaf 1915 in de Noordzee woedt, verstoort het transport danig. Het Britse leger besluit over te gaan op hout uit de bossen van Noord-Frankrijk die over een behoorlijke voorraad gebruiksklaar hout beschikken. Ongeveer drie jaar lang storten de Britse geniesoldaten zich op de grootste Noord-Franse bossen om er het zo fel begeerde hout aan te onttrekken.

Aanvankelijk lijkt Frankrijk deze behoefte aan hout van de geallieerden te onderschatten en wordt er van overheidswege amper aandacht aan geschonken. Vanaf de eerste helft van 1915 ziet het Franse opperbevel zich echter genoodzaakt de MMF te verrijken met een Dienst voor Bosbehoud. Het is de bedoeling een ongecontroleerde exploitatie te voorkomen die door ‘een aantal door het Britse leger begane plunderingen in de bossen van Nieppe en Clairmarais’ een dreigend gevaar blijkt. Beide bossen – respectievelijk gelegen in de Nord en de Pas-de-Calais – zijn vanaf 1915 de eerste bossen die door de Britten op Franse bodem geëxploiteerd worden. Het Britse leger stelt op zijn beurt een bosbestuur (forestry directorate) in, onder rechtstreeks bevel van het Britse hoofdkwartier, naar aanleiding van de ernst van de situatie en uitdrukkelijke kanttekeningen van Franse zijde. Frankrijk stuurt er vervolgens officieren op uit die als taak het beheer van het Franse bos hebben, als enigen toestemming geven aan de Britten over de te kappen percelen en die contracten opstellen met privébezitters. Het Britse leger haalt zijn hout namelijk niet alleen uit staatsbossen, het hout wordt ook gekocht van eigenaren van privébossen.

In 1918 vertegenwoordigt het door de Britten geëxploiteerde bosoppervlak 44.500 hectaren, wat overeenkomt met een twaalftal bossen uit vijf departementen ten noorden van de Seine. De grootste bossen zijn die van Nieppe (Nord), Clairmarais en Tournehem (Pas-de-Calais), Crécy en Creuse (Somme), Eu, Brotonne, Rouvray en La Londe (Seine-Maritime) en tenslotte het bos van Lyons in de Eure.

De verhoudingen tussen de twee geallieerde machten zijn op dit gebied niet altijd even onbewogen als gewenst. Sommige Franse waarnemers kijken vaak machteloos toe en kunnen alleen maar de feiten constateren die zich voor hun ogen afspelen. ‘De exploitatie [door de Britten] gebeurt niet altijd met de gewenste zorg (…). Vaak zijn de werkzaamheden al begonnen voordat de Bosdienst of de eigenaar de reserves heeft kunnen markeren (…). Soms is de opmeting van het geëxploiteerde hout, die als basis dient om de eigenaar te betalen, lager dan in werkelijkheid (…). De gegeven prijzen liggen in sommige gevallen onder de normale prijzen’.

Tussen december 1915 en maart 1918 neemt de houtwinning van de Britten in de Franse bossen gestaag toe. In maart wordt een record bereikt van 119.000 ton hout (ofwel ongeveer 7,5 keer de geregistreerde productie van maart 1916). Een Britste bron geeft aan dat de Franse bossen twee miljoen ton bouwhout leverden in de periode van november 1917 en november 1918. Tussen februari en mei 1918 werd 90.000 ton paalhout gekapt.

Een andere aanwijzing voor de opvoering van de Britse houtproductie komt uit het aantal in de bossen werkzame arbeiders: tussen 1915 en 1918 vermenigvuldigt het aantal bosarbeiders zich met 25. Het Britse bospersoneel in Frankrijk is van uiteenlopende herkomst. De meeste arbeidskracht wordt geleverd door krijgsgevangenen (57,5%), vervolgens Britse militairen (18%), dan de Chinese arbeiders (18,1%), gevolgd door Canadese houthakkerseenheden en tenslotte – zwaar in de minderheid maar daarom niet minder – Franse burgers (1,3%).

De exploitatie van de regionale bossen, al snel verbreid naar die van heel Noordwest-Frankrijk, was ongetwijfeld van groot belang voor het Britse leger en blijft een perfecte illustratie van de militaire en economische samenwerking van twee geallieerde naties. De bossen op Frans grondgebied hebben in totaal 300.000 kubieke meters bouwhout en ongeveer een miljoen kubieke meter brand- en stuthout geleverd aan het Britse leger. Daarbij komt nog de vernieling door blootstelling aan bombardementen op de Franse slagvelden. Kortom, de Franse bossen hebben op hun manier een zware tol betaald in de Eerste Wereldoorlog.


Yann Hodicq,
lid van de Departementale Commissie voor Historie en Archeologie
van de Pas-de-Calais